ECLI:NL:HR:2026:1087
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake verhuurderheffing
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, waarin het hof uitspraak deed over door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan verhuurderheffing. De zaak betreft een geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de toepassing van de verhuurderheffing.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld, maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft tevens besloten geen proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 26 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad, zittende in de samenstelling met vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.