ECLI:NL:HR:2026:1153

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/02564 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40, lid 2, Wet WOZArt. 30a, lid 2, letter b, Wet waardering onroerende zakenWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over griffierecht en proceskosten in WOZ-zaak gemeente Hoorn

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een geschil met het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoorn over een WOZ-beschikking en onroerendezaakbelasting.

De Hoge Raad heeft bij een eerder arrest van 1 mei 2026 reeds beslist dat het hofarrest en het vonnis van de rechtbank vernietigd worden, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten. Tevens werd bepaald dat de heffingsambtenaar en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn veroordeeld worden in de kosten van het geding.

In dit arrest stelt de Hoge Raad de omvang van de proceskostenvergoedingen vast, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal proceshandelingen, het gewicht van de zaak en de geldende puntwaarden volgens de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Belanghebbende kon geen bewijs leveren dat sprake was van een bijzonder geval voor een hogere vergoeding.

De Hoge Raad draagt het college en de heffingsambtenaar op om het betaalde griffierecht en de kosten van rechtsbijstand aan belanghebbende te vergoeden. Dit arrest bevestigt de toepassing van de nieuwe wetgeving op proceskostenvergoedingen in WOZ-zaken en verduidelijkt de vergoeding bij niet-vernietiging van de bestreden besluiten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en het vonnis van de rechtbank uitsluitend voor de beslissingen over griffierecht en proceskosten en veroordeelt de gemeente Hoorn tot vergoeding van deze kosten aan belanghebbende.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02564bis
Datum3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HOORN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2024, nr. 23/785 [1] , nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:731 (hierna: het arrest van 1 mei 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 1 mei 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof zal worden vernietigd, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten. De Hoge Raad heeft in dat arrest verder beslist dat de uitspraak van de Rechtbank zal worden vernietigd, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten van het geding voor de Rechtbank.
1.3
De Hoge Raad heeft in dat arrest ook beslist dat de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn (hierna: de heffingsambtenaar) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
1.4
De Hoge Raad heeft bij het arrest van 1 mei 2026 bovendien beslist dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
2. Nadere beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en de hogerberoepsprocedure
Gelet op wat hiervoor in 1.3 is overwogen, dient de heffingsambtenaar alsnog te worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij zal worden uitgegaan van (i) twee proceshandelingen in beroep (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee van twee punten, en één proceshandeling in hoger beroep (hogerberoepschrift) en daarmee van één punt, (ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep, en (iii) een puntwaarde van € 934. [2] Dat komt neer op een vergoeding van € 1.868 voor het geding voor de Rechtbank en van € 934 voor het geding voor het Hof.
3. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
3.1
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
3.2
Belanghebbende, vertegenwoordigd door L. Driessen, heeft bij bericht van 12 mei 2026 aangegeven dat niet aan de hiervoor in 3.1 bedoelde bewijslast kan worden voldaan. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [3] .
3.3
Bij die berekening gaat de Hoge Raad uit van
(i) één proceshandeling (beroepschrift in cassatie) en daarmee dus van 2 punten,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, en
(iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd.
Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 187.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen over het griffierecht en de proceskosten,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 50,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 187 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 934 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
3.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.