ECLI:NL:HR:2026:1158
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2025. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 23 januari 2026 op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Deze brief werd afgeleverd op het opgegeven adres van belanghebbende.
Ondanks deze kennisgeving werd het griffierecht niet voldaan. De griffier gaf belanghebbende op 25 februari 2026 de gelegenheid om te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. De reactie van belanghebbende op 26 februari 2026 bood geen gegronde reden om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 3 juli 2026 door de raadsheren Boerlage, van der Voort Maarschalk en van Roij.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.