Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
(a) op grond van artikel 349 lid 1 Sv Pro de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging of de schorsing van de vervolging wordt uitgesproken, omdat zo’n beslissing op grond van artikel 359 lid Pro 2, eerste volzin, Sv moet worden gemotiveerd;
(b) sprake is van een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer, maar het hof in strijd met dat verweer artikel 349 lid 1 Sv Pro niet toepast, omdat op grond van artikel 358 lid 3 Sv Pro in het vonnis of arrest een beslissing moet worden gegeven naar aanleiding van zo’n verweer en die beslissing ook op grond van artikel 359 lid Pro 2, eerste volzin, Sv moet worden gemotiveerd;
(c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over een onderwerp als bedoeld in artikel 348 Sv Pro, omdat op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen moeten worden gegeven die daartoe hebben geleid;
(d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet zo’n beslissing wordt gegeven.
(Vgl. HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, rechtsoverweging 4.4.)
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
7 juli 2026.