Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
27 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne.
De betrokkene stelde cassatiemiddelen in, waarbij onder meer werd geklaagd over de schattingsmethode van het wederrechtelijk voordeel en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing door het hof. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het ontnemingsbedrag en vermindering daarvan, maar tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de schattingsmethode en motivering niet tot vernietiging leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door late indiening van stukken en de lange duur van de procedure, wat een vermindering van het ontnemingsbedrag rechtvaardigt.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag en stelde dit vast op € 240.844, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot € 240.844 wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.