ECLI:NL:HR:2026:1219

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/03398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 24 RvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over verdeling huwelijksgoederengemeenschap en kinderalimentatie

Partijen zijn in 2013 in Tsjechië gehuwd onder algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2024 gescheiden. De vrouw verkocht tijdens het huwelijk een woning in Tsjechië waarvan de opbrengst in de huwelijksgemeenschap zou vallen. De man vorderde in hoger beroep de helft van de verkoopopbrengst, maar het hof oordeelde dat hij onvoldoende had aangetoond dat de opbrengst nog op een Tsjechische bankrekening aanwezig was en wees zijn verzoek op grond van art. 843a (oud) Rv af wegens ongespecificeerdheid.

Het hof hield bij de draagkrachtberekening van de man rekening met de volledige aflossing van huwelijkse schulden door hem, maar oordeelde dat dit betekende dat de man geen regresvordering op de vrouw kon instellen, wat buiten de rechtsstrijd viel. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de vrouw voldoende had betwist dat de opbrengst nog op de bankrekening stond, en dat het hof ten onrechte het verzoek op grond van art. 843a Rv afwees.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te stellen dat de man geen regresvordering op de vrouw kan instellen, omdat dit niet met partijen is besproken. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en kinderalimentatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/03398
Datum10 juli 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/09/646204 FA RK 23-2822 en C/09/652112 FA RK 23-5805 van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2024;
b. de beschikking in de zaken 200.347.890/01 en 200.347.891/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2025.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld en heeft een aanvullende procesinleiding ingediend.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2013 in Tsjechië met elkaar gehuwd.
(ii) Partijen zijn de ouders van twee minderjarige kinderen.
(iii) Tussen partijen bestond een algehele gemeenschap van goederen.
(iv) Het huwelijk van partijen is in 2024 door echtscheiding geëindigd.
2.2
De vrouw en de man hebben, voor zover in cassatie van belang, elk verzocht de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen overeenkomstig een daartoe door de vrouw, respectievelijk de man gedaan voorstel en om de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen.
2.3
De rechtbank [1] heeft een verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld en bepaald dat de man aan kinderalimentatie € 262,-- per kind per maand zal betalen.
2.4
In hoger beroep heeft de man een verzoek op grond van art. 843a (oud) Rv gedaan.
2.5
Het hof [2] heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd waar het gaat over de kinderalimentatie en bepaald dat de man aan kinderalimentatie met ingang van 15 augustus 2024 € 202,-- per kind per maand en met ingang van 1 april 2025 € 123,-- per kind per maand zal voldoen, die beschikking voor het overige bekrachtigd en het verzoek op grond van art. 843a (oud) Rv afgewezen. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“De woning in Tsjechië en de verkoopopbrengst
5.2
Het hof overweegt met betrekking tot de woning in Tsjechië dat de vrouw heeft gesteld dat zij deze onder een uitsluitingsclausule van haar grootmoeder geschonken heeft gekregen. Deze stelling is door de man gemotiveerd betwist. Door de vrouw is een akte in de Tsjechische taal in het geding gebracht. De vrouw heeft slechts een gedeelte van de akte laten vertalen. (…) Naar het oordeel van het hof volgt niet uit de beperkte vertaling dat er sprake is van een schenking onder een uitsluitingsclausule, en wel in die zin dat het geschonken onroerend goed niet valt in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen waarin de vrouw met de man is gehuwd. (…) Nu de woning door de vrouw is verkocht valt in beginsel de verkoopopbrengst van de woning te Tsjechië in de huwelijksgoederengemeenschap.
5.3
Voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap is bepalend of de opbrengst van de woning op de peildatum van de ontbinding nog in de huwelijksgemeenschap aanwezig was. Door de vrouw is aangegeven dat de gelden zijn uitgegeven en dat zij geen bankrekening meer heeft in Tsjechië. Nu de vrouw ontkent dat er nog een bankrekening is in Tsjechië en de vrouw ontkent dat nog een deel van de opbrengst van de woning resteert, rust op de man de bewijslast om aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een bankrekening in Tsjechië met een resterend saldo. Op basis van hetgeen de man heeft gesteld, kan het hof dit niet vaststellen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen gronden aanwezig om de bewijslast in deze om te keren. Bewijsnood komt voor rekening en risico van de man. Nu de vrouw niet meer de beschikking heeft over de bankrekening in Tsjechië kan zij de man derhalve geen saldo laten zien van de rekening op de peildatum.
5.4
De grief van de man treft geen doel. Er is eveneens geen grond voor een verzoek ex artikel 843a Rv aangezien dit te ongespecificeerd is mede bezien het verweer van de vrouw met betrekking tot de bankrekening.
(…)
Aflossing op schulden
5.16
Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een last van in totaal € 1.224,- per maand voor het aflossen van de huwelijkse schulden bij DUO en bij ING en met betrekking tot de financial lease van de auto. De rechtbank heeft rekening gehouden met 50% van deze lasten, omdat de vrouw de andere helft van deze lasten moet betalen. De man vindt dat met de volledige last aan zijn kant rekening moet worden gehouden, omdat het volledige bedrag maandelijks op zijn draagkracht rust. Het hof zal rekenen met de volledige last, máár dit heeft wel tot gevolg dat de man namens de vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling.”

3.Beoordeling van het middel

3.1.1
Onderdeel I.2 van het middel klaagt onder meer dat het hof in rov. 5.3. en 5.4 ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de man dient aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een bankrekening in Tsjechië met een resterend saldo. Volgens het onderdeel moet de vrouw in het kader van haar stel- dan wel betwistplicht onderbouwen dat haar bankrekening aldaar is opgeheven en waar het saldo dan is gebleven, en volstaat daartoe niet de enkele stelling dat die rekening er niet meer is en dat zij het geld aan haar vader heeft geschonken.
3.1.2
De man heeft met betrekking tot de tijdens het huwelijk van partijen door de vrouw verkochte woning in Tsjechië verzocht te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van de verkoopopbrengst moet vergoeden. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat zij niet kon vaststellen of de opbrengst van de woning nog ergens op een rekening staat. Tegen die afwijzende beslissing is de man in hoger beroep opgekomen, waarbij hij aanspraak heeft gemaakt op de volledige verkoopopbrengst. Tussen partijen is niet in geschil dat de opbrengst van de woning, ruim € 88.500, in 2016 is gestort op een Tsjechische bankrekening van de vrouw. Het hof is ervan uitgegaan dat op de man de stelplicht en de bewijslast rusten van zijn, door de vrouw voldoende betwiste, stelling dat de opbrengst van de woning zich op de peildatum geheel of ten dele bevindt in het, tot de huwelijksgemeenschap behorende, vermogen van de vrouw.
3.1.3
De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verkoopopbrengst van de woning op de peildatum nog op de Tsjechische bankrekening van de vrouw stond, maar dat hij niet over daarop betrekking hebbende stukken beschikt. Hij heeft in dit verband op grond van art. 843a (oud) Rv verzocht om afschriften van bescheiden waaruit de verkoopopbrengst blijkt en hoe dit bedrag is beheerd tot en met de peildatum van de boedelverdeling (zie hierna in 3.2.2), welk verzoek het hof heeft afgewezen (zie rov. 5.4). Dat de bewijsstukken bij hem in huis zouden liggen, zoals de vrouw had aangevoerd, heeft de man weersproken. Hiertegenover heeft de vrouw aangevoerd dat zij een deel van de opbrengst van ongeveer € 34.000 waarschijnlijk heeft aangewend om de voormalige echtelijke woning te kopen, dat zij de rest aan haar ouders heeft gegeven en dat zij geen bankrekening meer heeft in Tsjechië (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5). Daarbij heeft zij verwezen naar twee producties, waaruit blijkt dat bij de aankoop van de voormalige echtelijke woning een waarborgsom van € 34.000,-- was voldaan. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de vrouw nadere gegevens heeft verstrekt ter onderbouwing van haar standpunt dat de bankrekening is opgeheven en dat de opbrengst is aangewend als door haar aangevoerd. Haar betoog dat zij niet over de verzochte bescheiden beschikt, is hiervoor niet een voldoende begrijpelijke verklaring, aangezien het gaat om gegevens over rechtshandelingen die zij stelt te hebben verricht.
Tegen deze achtergrond is zonder nadere motivering onbegrijpelijk het kennelijke oordeel van het hof dat de vrouw de hiervoor in 3.1.2 bedoelde stelling van de man voldoende gemotiveerd heeft betwist. In zoverre slaagt de hiervoor in 3.1.1 genoemde klacht.
3.2.1
De onderdelen II.1 en II.2 bestrijden het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat er geen grond is voor een verzoek op de voet van art. 843a (oud) Rv aangezien dit te ongespecificeerd is mede bezien het verweer van de vrouw met betrekking tot de bankrekening. De onderdelen klagen onder meer dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
3.2.2
De man heeft in hoger beroep op grond van art. 843a (oud) Rv verzocht te bepalen dat de vrouw afschriften aan de man dient te geven waaruit de geldstromen na de verkoop van de woning inzichtelijk worden gemaakt, waarbij het gaat om bescheiden waaruit de verkoopopbrengst blijkt en hoe dit bedrag is beheerd tot en met de peildatum van de boedelverdeling.
3.2.3
De man heeft ter onderbouwing van het verzoek onder meer aangevoerd dat de verkoopopbrengst is uitbetaald op een Tsjechische bankrekening van de vrouw, dat zijn verzoek betrekking heeft op bepaalde bescheiden, dat hij rechtmatig belang heeft bij zijn verzoek en dat het verzoek de rechtsbetrekking tussen partijen aangaat (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.15).
3.2.4
In het licht van deze onderbouwing valt het bestreden oordeel van het hof zonder nadere motivering niet te begrijpen, ook niet in het licht van het betoog van de vrouw met betrekking tot de bankrekening. Dat betoog houdt in, zo blijkt uit rov. 5.3 van de beschikking van het hof, dat de vrouw ontkent dat er nog een bankrekening is in Tsjechië. Ook als dat juist is, valt niet in te zien dat het verzoek van de man te ongespecificeerd is. De hiervoor in 3.2.1 genoemde klacht slaagt derhalve.
3.3.1
Onderdeel IV.1 klaagt dat het hof met de laatste volzin van rov. 5.16 (hiervoor in 2.5 aangehaald) buiten het debat van partijen treedt, art. 24 Rv Pro miskent en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing geeft door te oordelen dat het volledig meetellen van de schuld tot gevolg heeft dat de man niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling. De man heeft met grief 6 slechts aangevoerd dat, nu de vrouw niets van de schulden betaalt, hij het zich niet kan veroorloven te wachten totdat de schulden die de man volledig aflost, regresvorderingen worden. De man heeft dus niet gesteld dat hij afziet van een regresvordering en ook de vrouw voert dit niet als verweer, aldus het onderdeel.
3.3.2
Deze klacht slaagt. In eerste aanleg heeft de man zich bereid verklaard de huwelijkse schulden geheel af te lossen, mits de helft daarvan in mindering wordt gebracht op hetgeen de man aan de vrouw wegens overbedeling moet betalen en die schulden in zijn geheel worden meegenomen in de alimentatieberekening. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de verzochte verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld dat tussen partijen geen overeenstemming bestaat over afwijking van het wettelijke uitgangspunt van gelijke draagplicht voor de schulden van de gemeenschap, en geoordeeld dat zij niet op grond daarvan tot een afwijkende draagplicht van deze schulden zal beslissen. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man voor het betalen van kinderalimentatie geoordeeld dat de huwelijkse schulden slechts voor de helft moeten worden meegenomen, omdat de vrouw ook voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. De man heeft de beslissing van de rechtbank om voor zijn draagkracht slechts rekening te houden met de helft van de aflossingen door de man op de huwelijkse schulden, in hoger beroep bestreden. Geen van partijen heeft in hoger beroep echter aangevoerd dat wanneer voor de draagkracht van de man met de volledige aflossingen rekening wordt gehouden, dit tot gevolg heeft dat de man namens de vrouw aflost en de man in zoverre dus geen regresvordering op de vrouw verkrijgt. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof blijkt ook niet dat het hof dit mogelijke gevolg met partijen heeft besproken. Met zijn door de klacht bestreden oordeel is het hof derhalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Na verwijzing zal opnieuw beoordeeld moeten worden welke invloed de last van het aflossen van de huwelijkse schulden door de man heeft op de draagkracht van de man voor het betalen van kinderalimentatie.
3.4
Onderdeel 5 behoeft geen behandeling.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
10 juli 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18010.
2.Gerechtshof Den Haag 18 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1913.