Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2026.
Hoge Raad
Partijen zijn in 2013 in Tsjechië gehuwd onder algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2024 gescheiden. De vrouw verkocht tijdens het huwelijk een woning in Tsjechië waarvan de opbrengst in de huwelijksgemeenschap zou vallen. De man vorderde in hoger beroep de helft van de verkoopopbrengst, maar het hof oordeelde dat hij onvoldoende had aangetoond dat de opbrengst nog op een Tsjechische bankrekening aanwezig was en wees zijn verzoek op grond van art. 843a (oud) Rv af wegens ongespecificeerdheid.
Het hof hield bij de draagkrachtberekening van de man rekening met de volledige aflossing van huwelijkse schulden door hem, maar oordeelde dat dit betekende dat de man geen regresvordering op de vrouw kon instellen, wat buiten de rechtsstrijd viel. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de vrouw voldoende had betwist dat de opbrengst nog op de bankrekening stond, en dat het hof ten onrechte het verzoek op grond van art. 843a Rv afwees.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te stellen dat de man geen regresvordering op de vrouw kan instellen, omdat dit niet met partijen is besproken. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en kinderalimentatie.