ECLI:NL:HR:2026:1235

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/01569
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 2 SrArt. 70 lid 1 SrArt. 241 SrArt. 246 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak over verjaring feitelijke aanranding wegens wetswijziging

De zaak betreft een feitelijke aanranding van de eerbaarheid gepleegd in 2004, waarbij de verdachte tijdens een danstraining het slachtoffer onverhoeds en onnodig aanraakte. De rechtbank veroordeelde de verdachte in maart 2024, waarna hoger beroep werd ingesteld. In juli 2024 trad de Wet seksuele misdrijven in werking, die de strafbaarstelling van aanranding wijzigde van artikel 246 (oud) Sr naar artikel 241 Sr Pro met een lager strafmaximum voor opzetaanranding.

Het hof oordeelde dat de tenlastelegging viel onder artikel 241 lid 1 Sr Pro, met een strafmaximum van zes jaar, waardoor de verjaringstermijn van twaalf jaar van toepassing was en de vervolging verjaard was. De officier van justitie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te veronderstellen dat onverhoedse aanrakingen nooit als 'dwang' in de zin van artikel 241 lid 2 Sr Pro kunnen worden gekwalificeerd.

De Hoge Raad benadrukt dat de wetswijziging niet heeft geleid tot een voor de verdachte gunstige wijziging van de delictsomschrijving of strafmaximum die de verjaringstermijn zou verkorten. Ook kan het onverhoedse karakter van de handelingen wel degelijk duiden op 'dwang' als strafverzwarende omstandigheid. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van de wetsgeschiedenis, de toepasselijke strafrechtelijke begrippen en de verjaringstermijnen, waarbij het belang van correcte toepassing van artikel 1 lid 2 Sr Pro en artikel 70 Sr Pro wordt benadrukt. De zaak illustreert de complexiteit van de overgangsrechtelijke toepassing van nieuwe strafrechtelijke bepalingen op oudere feiten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van de verjaringstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/01569
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 april 2025, nummer 20-000913-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de verdachte, G.J.P.M. Mooren, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de officier van justitie in de vervolging omdat het recht tot strafvordering wat betreft het tenlastegelegde feit wegens verjaring is vervallen.
2.2.1
De advocaat-generaal heeft in haar conclusie onder 2.1 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:
“De verdachte in de onderhavige zaak wordt verweten dat hij zich in 2004 schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr) door tijdens een danstraining – onverhoeds en onnodig – de borsten, vagina/kruis en/of billen van de aangeefster te betasten en zijn stijve penis tegen haar vagina/kruis en/of billen te duwen. De rechtbank heeft hem hiervoor op 15 maart 2024 (dus zo’n twintig jaren later) veroordeeld, tegen welk vonnis de verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven in werking getreden. Het hof heeft in zijn uitspraak van 23 april 2025 geoordeeld dat de aan de verdachte ten laste gedragingen sindsdien onder de in art. 241 lid 1 Sr Pro strafbaar gestelde opzetaanranding vallen. Anders dan art. 246 (oud) Sr wordt overtreding van art. 241 lid 1 Sr Pro bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal zes jaren, hetgeen in dit geval meebrengt – aldus het hof – dat het ten laste gelegde feit is verjaard. Het hof heeft om die reden de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.”
2.2.2
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij:
“in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit
- het betasten van de borsten en/of de vagina/het kruis en/of de billen van die [slachtoffer]
en/of
- het duwen van zijn (in erectie zijnde) geslachtsdeel tegen de billen en/of de vagina/het kruis van die [slachtoffer]
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hierin
- dat verdachte tijdens een danstraining die [slachtoffer] onverhoeds en onnodig aanraakte en betastte aan haar billen en/of vagina/kruis en/of zijn in erectie zijnde geslachtsdeel tegen de vagina/kruis en/of billen van die [slachtoffer] duwde.”
2.2.3
Het hof heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het heeft daartoe overwogen:
“Het hof stelt vast dat het tenlastegelegde is toegespitst op artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dat artikel hield tot 1 juli 2024 in:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Na de datum van het vonnis waarvan beroep is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven (Stb. 2024, 59) in werking getreden. Sindsdien zijn handelingen die voorheen strafbaar waren gesteld in artikel 246 (oud) Sr, strafbaar gesteld in artikel 241 (nieuw) Sr.
Artikel 241 Sr Pro houdt thans in:
“1. Als schuldig aan opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, degene die met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
2. Als schuldig aan gekwalificeerde opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de vijfde categorie, degene die zich schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld, of bedreiging.”
Het hof heeft voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep aan de procespartijen gevraagd een standpunt in te nemen over de vraag of deze wetswijziging consequenties heeft voor de op de zaak toepasselijke verjaringsregels.
De advocaat-generaal heeft zich voorafgaand aan de terechtzitting per e-mail en vervolgens ook ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging is toegespitst op gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, (nieuw) Sr. Die strafbare gedraging wordt - net als artikel 246 (oud) Sr - bedreigd met ten hoogste acht jaren gevangenisstraf. Ingevolge artikel 70 Sr Pro is de toepasselijke verjaringstermijn (ook nu nog) twintig jaren. De inleidende dagvaarding van de verdachte is in januari 2024 uitgegaan. Nu de vervolging tussentijds door deze daad van vervolging is gestuit, is volgens de advocaat-generaal het recht tot strafvordering in de zaak nog niet verjaard.
De raadsman heeft zich - onder verwijzing naar een beslissing van de rechtbank Rotterdam en de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel - op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging ziet op opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr. Nu dit misdrijf met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt bedreigd, is volgens de raadsman ingevolge artikel 70 Sr Pro een verjaringstermijn van twaalf jaren van toepassing. In de twaalf jaren die op de tenlastegelegde pleegdatum volgden is er geen daad van vervolging geweest. Volgens de verdediging is daardoor het recht tot strafvordering verjaard.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De verjaringstermijn is in artikel 70 Sr Pro gekoppeld aan het toepasselijke strafmaximum. Een verandering van wetgeving ten aanzien van het strafmaximum ten gunste van de verdachte na het tijdstip waarop het feit is begaan, wordt op grond van artikel 1, tweede lid, Sr onmiddellijk toegepast (HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878). Als uitgangspunt geldt verder dat verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring direct toepasbaar is met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998).
Ten tijde van de pleegdatum van het tenlastegelegde luidde artikel 70 Sr Pro, voor zover hier van belang, als volgt:
“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(...)
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in vijftien jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld.”
Op 1 januari 2006 is de verjaringstermijn in het hiervoor genoemde onderdeel 4° verhoogd naar twintig jaren (Stb. 2005, 595).
Sinds 1 april 2013 luiden de hier van belang zijnde onderdelen van artikel 70 Sr Pro als volgt (Stb. 2012, 572):
“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(...)
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.”
Bij het bepalen van de toepasselijke strafbedreiging en daarmee de toepasselijke verjaringstermijn is de tekst van de tenlastelegging bepalend. De vraag die het hof in de kern dient te beantwoorden is of in deze zaak – gelet op de gewijzigde wettelijke regeling per 1 juli 2024 – een opzetaanranding dan wel een gekwalificeerde opzetaanranding is tenlastegelegd. In het eerste geval zou het recht tot strafvordering naar het oordeel van het hof (met terugwerkende kracht) zijn verjaard. In het tweede geval niet.
Hoewel in deze zaak is tenlastegelegd het dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen ‘door geweld of een andere feitelijkheid’ en/of ‘door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid’, volgt uit de overige tekst van de tenlastelegging duidelijk dat de steller ervan bedoeld heeft deze te beperken tot het dwingen tot dulden van een of meer ontuchtige handelingen door ‘een (andere) feitelijkheid’. Die feitelijkheid bestaat volgens de tenlastelegging hierin dat de verdachte het slachtoffer onverhoeds en onnodig zou hebben aangeraakt en betast aan haar billen en/of vagina/kruis en/of zijn in erectie zijnde geslachtsdeel tegen de vagina/het kruis en/of de billen van het slachtoffer zou hebben geduwd.
Opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr is aan de orde wanneer iemand met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt. Daarvan zal naar het oordeel van het hof in ieder geval sprake kunnen zijn bij onaangekondigde, onverhoedse seksuele handelingen, zoals in deze zaak tenlastegelegd.
Van gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, (nieuw) Sr is sprake als de hiervoor bedoelde opzetaanranding wordt ‘voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang’. Bij een grammaticale uitleg van dit artikellid is naar het oordeel van het hof voor een gekwalificeerde opzetaanranding in beginsel méér nodig dan een onverhoedse aanraking met een seksuele strekking die op zichzelf de opzetaanranding als bedoeld in het eerste lid van artikel 241 (nieuw) Sr oplevert.
Dat de wetgever dit onderscheid ook heeft willen maken in artikel 241 (nieuw) Sr vindt naar het oordeel van het hof steun in de wetsgeschiedenis van de Wet seksuele misdrijven.
(...)
Het hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat aan de verdachte in feite een opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr is tenlastegelegd, namelijk het (enkele) onverhoeds seksueel aanraken van het lichaam van aangeefster, zonder dat deze is voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door de in artikel 241, tweede lid, (nieuw) Sr bedoelde dwang. Het misdrijf als bedoeld in artikel 241, eerste lid, (nieuw) Sr wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. De wijziging van strafbedreiging van ten hoogste acht jaren naar zes jaren gevangenisstraf is naar het oordeel van het hof aan te merken als een wijziging als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Sr ten gunste van de verdachte die onmiddellijk moet worden toegepast. Op grond van artikel 70 Sr Pro is dan een verjaringstermijn van toepassing van twaalf jaren. Nu in de twaalf jaren na de pleegdatum van het tenlastegelegde de verjaring niet door een daad van vervolging is gestuit, is het recht tot strafvordering verjaard. De officier van justitie is daarom (alsnog) niet-ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.”
Juridisch kader
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 1 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.”
- Artikel 70 lid Pro 1, onder 3⁰ en 4⁰, Sr:
“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;
4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.”
- Artikel 241 Sr Pro, dat op 1 juli 2024 (Stb. 2024, 59) met de inwerkingtreding van de Wet van 20 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de modernisering van strafbaarstelling van verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag (hierna: Wet seksuele misdrijven) is ingevoerd en sindsdien, afgezien van een redactionele wijziging, gelijk is gebleven:
“1. Als schuldig aan opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, degene die met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
2. Als schuldig aan gekwalificeerde opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, degene die zich schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld, of bedreiging.”
- Artikel 246 Sr Pro is met de inwerkingtreding op 1 juli 2024 (Stb. 2024, 59) van de Wet seksuele misdrijven gewijzigd en luidde tot dat moment:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4
De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet seksuele misdrijven, houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“[p. 14-15]
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
(...)
3.2
Schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting
In de nieuwe Titel Seksuele misdrijven wordt de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld verruimd. Deze verruiming is ingegeven door verschillende in hoofdstuk 2 van deze memorie beschreven maatschappelijke, juridische en technologische ontwikkelingen die noodzaken tot verlaging van de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting. De huidige delicten aanranding en verkrachting worden vervangen door nieuwe delicten. Het betreft vier delicten met zes verschillende kwalificaties: schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting. De strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt aangescherpt. (...) Bij de opzetdelicten is iemand strafbaar als diegene seksuele
handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetdelicten.
(...)
[p. 18-20]
De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. De opzetvariant doet zich eveneens voor in situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Onder dergelijke omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de dader bewust handelt en de wilsonvrijheid bij de ander heeft gewild. Bij gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Met deze gekwalificeerde delictsvormen wordt het ernstiger verwijt dat de schuldige wordt gemaakt vanwege deze extra strafwaardige begeleidende omstandigheden tot uitdrukking gebracht.
(...)
De nieuwe delicten hebben gevolgen voor de bewijsvoering. Voor een veroordeling voor (...) opzetaanranding, (...) is niet nodig dat er bewijs is van dwang. Er hoeft dus niet meer bewezen te worden dat een slachtoffer zich heeft verzet of zich niet kon onttrekken aan de seksuele handelingen. Evenmin hoeft te worden bewezen dat het opzet van de verdachte hierop gericht was. Het gevolg is dat slachtoffers in meer gevallen aangifte kunnen doen van een strafbaar feit. De verlaging van de bewijsdrempel brengt ook mee dat politie en OM ruimere mogelijkheden zullen hebben om zaken op te pakken.
(...)
[p. 61]
II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
(...)
[p. 76-77]
Artikelen 240-244
(...)
In de delictsvormen gekwalificeerde opzetaanranding (artikel 241, tweede lid) en gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243, tweede lid) wordt het gebruik van dwang, geweld of bedreiging als strafverzwarend aangemerkt. De aanwezigheid van een dwangsituatie is hiermee niet langer een voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar geldt als bijkomende omstandigheid die een ernstiger strafrechtelijk verwijt indiceert.
(...)
[p. 81]
Artikel 241
In artikel 241 worden Pro opzetaanranding (eerste lid) en gekwalificeerde opzetaanranding (tweede lid) strafbaar gesteld. Het eerste lid is deels nieuw en deels de rechtsopvolger van de artikelen 247 Sr (ontucht met een geestelijk of lichamelijk onmachtige persoon) en 249, tweede lid, Sr (ontucht met een functioneel afhankelijke persoon). (...) Het tweede lid stelt opzetaanranding voorafgegaan door, vergezeld van, of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging strafbaar onder de kwalificatie gekwalificeerde opzetaanranding. Dit is de rechtsopvolger van het huidige artikel 246 Sr Pro (aanranding).
Eerste lid
Het enige verschil met de delictsomschrijving van schuldaanranding is dat voor strafbaarheid wetenschap van de ontbrekende wil van de ander is vereist. Daarvan is sprake indien diegene daadwerkelijk weet dat de wil hiertoe bij de ander ontbreekt («vol» opzet), maar ook indien diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of, in andere woorden, voor lief of op de koop toe neemt (voorwaardelijk opzet). (...)
Voor het bewijs van wetenschap van een ontbrekende wil in de hiervoor bedoelde zin zijn de omstandigheden waaronder het seksuele contact plaatsvindt van belang. (...) Wanneer kan worden vastgesteld dat degene die het seksuele contact aangaat hieraan geen enkele boodschap heeft of wezenlijk onverschillig tegenover deze negatieve of passieve opstelling van de ander staat, zal sprake zijn van opzetaanranding. (...)
Wezenlijke onverschilligheid wat betreft de aanwezigheid van een positieve wilsuiting bij de ander doet zich voor bij onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. Datzelfde geldt als iemand de wilsvrijheid van de ander zelf heeft beperkt, bijvoorbeeld met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging.
(...)
[p. 84-85]
Tweede lid
In het tweede lid wordt opzetaanranding die wordt voorafgegaan door, vergezeld gaat van of wordt gevolgd door dwang, geweld of bedreiging strafbaar gesteld. Met deze gekwalificeerde vorm wordt het in het eerste lid strafbaar gestelde feit vanwege deze extra strafwaardige begeleidende omstandigheden als ernstiger aangemerkt. (...) Er dient sprake te zijn van een zekere samenhang tussen de verrichte seksuele handelingen en deze begeleidende omstandigheden. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
In het tweede lid is de toepassing van dwang als een zelfstandig bestanddeel gepositioneerd naast geweld en bedreiging. Anders dan in de huidige delictsomschrijving van aanranding (artikel 246 Sr Pro) vormt het dwingen immers niet een centraal bestanddeel van het misdrijf. Als van dwingen bij ongewild seksueel contact sprake is geweest, is dat – als gezegd – een extra strafwaardige begeleidende omstandigheid. Tot de toepassing van dwang zal doorgaans aanleiding bestaan indien men weet dat de ander het gewenste niet wil. Dit betekent dat deze strafverzwaringsgrond pas in beeld komt wanneer iemand weet, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele
contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet. Niet is vereist dat de dwang zodanig is dat de wil van de ander wordt doorbroken. Daarmee is niet van toepassing het (hoge) bewijsvereiste uit de huidige jurisprudentie met betrekking tot het dwangbestanddeel van artikel 246 Sr Pro, inhoudende dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest en dat hiervoor enige vorm van verzet nodig is of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart. Voor de strafverzwarende omstandigheid dwang komt een wat lager bewijsvereiste te gelden: het volstaat dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen en kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen. Bij het een ander onmogelijk maken anders te handelen kan worden gedacht aan het veroorzaken van een fysiek
beletsel, zoals vastbinden, opsluiten, in het nauw drijven, overrompelen of iemand meevoeren naar een verlaten plek. (...) Of het gebruik van een dwangmiddel in een specifiek geval resulteert in dwang, hangt dus af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
(...)
Gekwalificeerde opzetaanranding is bewijstechnisch eenvoudiger van opzet dan het huidige delict aanranding. Uit de bewijsmiddelen hoeft niet te blijken dat het slachtoffer naar redelijke verwachting niets anders kon doen dan mee te werken. (...) Op de gekwalificeerde variant van opzetaanranding komt een strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf te staan (of geldboete van de vijfde categorie). Hiermee wordt aangesloten bij het strafmaximum voor het huidige delict aanranding.”
(Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 3)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“Kort gezegd veronderstellen zowel de opzet- als de schuldvariant dat de dader het seksueel contact aanvangt of voortzet, terwijl diegene zich bewust is van duidelijke signalen dat bij de ander de wil tot seksueel contact ontbreekt. Het voor de opzetvariant vereiste opzet is aanwezig wanneer de dader zich ten minste bewust is van deze mogelijkheid en die reële kans eenvoudigweg accepteert, voor lief neemt (voorwaardelijk opzet). De wezenlijke onverschilligheid die hierin tot uitdrukking komt, kenmerkt de ondergrens van de opzetvariant. (...)
Het voorgaande laat onverlet dat bepaalde gedragingen van de verdachte zo zeer wezenlijke onverschilligheid ten aanzien van de wil tot seksueel contact bij de ander uitdrukken, dat het – behoudens contra-indicaties (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396) – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen. Hoewel het laatste woord dus aan de rechter is, zal ik in algemene zin proberen meer duidelijkheid te verschaffen over gevalstypen waarin het in de regel niet anders kan zijn dan dat de verdachte de mogelijkheid van een ontbrekende wil voor lief heeft genomen. Ik noem vijf gevalstypen. Het eerste betreft situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Dan is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Het tweede gevalstype betreft gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten.” (Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 7, p. 24-25.)
2.5
Als na het begaan van het feit de delictsomschrijving in voor de verdachte gunstige zin is gewijzigd, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen en het vervallen van strafbaarstellingen, is artikel 1 lid 2 Sr Pro van toepassing als die wetswijziging een gevolg is van een verandering van inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit. Voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels over de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een daarin sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang – en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever over de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten – moet worden toegepast, als en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. (Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878.)
2.6.1
Van ‘dwang’, in de zin van het in artikel 246 (oud) Sr bedoelde dwingen, kan sprake zijn als de ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden (vgl. HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:900 en, over artikel 242 (oud) Sr, HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:842).
2.6.2
In de nieuwe strafbaarstelling van artikel 241 lid 1 Sr Pro is, zoals ook volgt uit de onder 2.4 weergegeven wetsgeschiedenis, het gebruik van dwang, geweld of bedreiging niet langer een voorwaarde voor strafbaarheid wegens (opzet)aanranding. Op grond van artikel 241 lid 2 Sr Pro kan het feit worden gekwalificeerd als ‘gekwalificeerde opzetaanranding’ onder meer als sprake is geweest van ‘dwang’. Daarmee is, in de bewoordingen van de onder 2.4 weergegeven wetsgeschiedenis, voorzien in een rechtsopvolger van artikel 246 (oud) Sr.
2.6.3
Of sprake is van ‘dwang’ in de zin van artikel 241 lid 2 Sr Pro, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In de memorie van toelichting komt naar voren dat voor de strafverzwarende omstandigheid ‘dwang’ ten opzichte van de strafbaarstelling van artikel 246 (oud) Sr “een wat lager bewijsvereiste” geldt, waarbij het volstaat “dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken”, waarbij pressie “een veelheid aan gedaanten” kan aannemen en “kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen”. Daarbij wordt onder ‘dwang’ onder meer begrepen het “overrompelen” van een ander.
2.6.4
In het licht van deze wetsgeschiedenis kan van ‘dwang’ in de zin van artikel 241 lid 2 Sr Pro onder meer sprake zijn als de ontuchtige handelingen een onverhoeds karakter hebben, waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die handelingen te dulden. Dat, zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt, de rechter in een voorkomend geval bij zijn oordeel of sprake is geweest van opzet in de zin van artikel 241 lid 1 Sr Pro het onverhoedse karakter van de handeling in aanmerking kan nemen, doet er niet aan af dat dit onverhoedse karakter eveneens met zich kan brengen dat sprake is van ‘dwang’ in de zin van artikel 241 lid 2 Sr Pro. Het maakt hierbij ook geen verschil dat in artikel 246 (oud) Sr ‘dwingen’ een delictsbestanddeel vormt, terwijl in artikel 241 Sr Pro ‘dwang’ betrekking heeft op de in het tweede lid opgenomen strafverzwarende omstandigheid.
2.7.1
In deze zaak heeft de tenlastelegging betrekking op het strafbare feit van artikel 246 (oud) Sr. Het hof heeft overwogen dat weliswaar “het dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen” is tenlastegelegd, maar dat de tenlastelegging uitsluitend gedragingen omvat die bestaan uit de aanranding door het lichaam van de aangeefster ‘onverhoeds’ aan te raken. Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of, uitgaande van deze lezing van de tenlastelegging, met de invoering van de strafbaarstelling van artikel 241 Sr Pro een voor de verdachte gunstige wijziging van wetgeving als bedoeld onder 2.5 heeft plaatsgevonden. Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Gelet op wat onder 2.6 is overwogen, is niet sprake van een wijziging van de delictsomschrijving in een voor de verdachte gunstige zin, terwijl ook wat betreft het strafmaximum niet een verandering heeft plaatsgevonden die ten gunste van de verdachte werkt.
2.7.2
In de overweging van het hof ligt de opvatting besloten dat, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet seksuele misdrijven, onverhoedse aanrakingen nooit als ‘dwang’ in de zin van artikel 241 lid 2 Sr Pro kunnen worden gekwalificeerd, maar uitsluitend strafbaar zijn op grond van artikel 241 lid 1 Sr Pro, en dat daarom bij de beoordeling van de verjaring moet worden uitgegaan van het in artikel 241 lid 1 Sr Pro – als de voor de verdachte gunstige bepaling – neergelegde strafmaximum van zes jaren gevangenisstraf en niet van de strafbaarstelling van artikel 246 (oud) Sr met het daarin opgenomen strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf. Het hof heeft daarmee, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, aan zijn oordeel over de verjaring een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag gelegd.
2.8
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.