ECLI:NL:HR:2026:1294

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/03007
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over WOZ-beschikking en weigert cassatie

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting 2022. Het hof liet in het midden of de heffingsambtenaar de Wet WOZ had geschonden, maar oordeelde dat belanghebbende daardoor niet benadeeld was omdat dezelfde procedure ook zonder schending was gevolgd.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2025:1823) en oordeelt dat de klacht over schending van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ terecht is voorgesteld, maar niet tot cassatie kan leiden omdat de gevraagde gegevens in de bezwaarfase zijn verstrekt. Ook andere klachten leiden niet tot vernietiging van het hofarrest.

De Hoge Raad ziet geen reden voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat belanghebbende niet is benadeeld door de WOZ-beschikking.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het hof dat belanghebbende niet is benadeeld door de WOZ-beschikking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03007
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 23/2618 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/5810) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Het Hof heeft in het midden gelaten of de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in strijd heeft gehandeld met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ). Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit artikel is geschonden, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de grond dat belanghebbende zonder schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld.
2.2
De daartegen gerichte klacht is terecht voorgesteld. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de in bezwaar gevraagde en onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallende gegevens, aan belanghebbende zijn verstrekt in de bezwaarfase.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.