ECLI:NL:HR:2025:1823
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over proceskostenvergoeding en griffierecht in belastingzaken
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, tegen het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland. De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 september 2023, waarin het Hof had geoordeeld dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) had gehandeld door niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om bepaalde gegevens te verstrekken. Het Hof had echter geen proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende, omdat het van mening was dat belanghebbende alleen formele punten had aangevoerd en geen materiële punten had ingebracht.
De Hoge Raad heeft deze beslissing vernietigd, oordelend dat een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ moet leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die dit rechtvaardigen. De Hoge Raad concludeert dat het Hof ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend en dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van zowel de proceskosten als het griffierecht voor de gedingen voor het Hof en de Rechtbank. De Hoge Raad heeft de kosten van de rechtsbijstand vastgesteld en de bedragen voor de proceskostenvergoeding en griffierechten bepaald.
De uitspraak van de Hoge Raad benadrukt het belang van het naleven van de Wet WOZ en de rechten van belanghebbenden in belastingzaken, en bevestigt dat een schending van deze wet gevolgen heeft voor de proceskostenvergoeding.