ECLI:NL:HR:2026:1295

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/01368
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:265 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over wanprestatie en verzuim bij ontwikkeling sportapplicatie

De zaak betreft een geschil tussen [eiser], aandeelhouder van Equihold B.V., en Capgemini Nederland B.V. over de ontwikkeling van een sportapplicatie. Equihold had Capgemini ingehuurd voor de ontwikkeling en verdere doorontwikkeling van de software, maar stelde dat Capgemini tekort was geschoten, wat leidde tot wanprestatie en onrechtmatige daad. Capgemini stelde zich op het standpunt dat zij niet in verzuim was geraakt en dat Equihold in betalingsachterstand verkeerde, waardoor zij haar werkzaamheden mocht opschorten.

De rechtbank wees de vorderingen van beide partijen af, en het hof Den Haag bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde onder meer dat Capgemini niet in verzuim was geraakt omdat er geen sprake was van een voor de voldoening bepaalde fatale termijn en dat de samenwerking plaatsvond binnen een flexibele raamovereenkomst zonder vast eindproduct. Ook werd het beroep op het exoneratiebeding van Capgemini aanvaard.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. De Hoge Raad bevestigt dat nakoming door Capgemini niet blijvend onmogelijk was en dat een ingebrekestelling niet altijd vereist is, maar oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Capgemini niet in verzuim zou zijn. Ook wijst de Hoge Raad op de noodzaak van een redelijke oplossing in het kader van de redelijkheid en billijkheid. Het incidentele cassatieberoep van Capgemini wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01368
Datum17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het deels voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser] ,
advocaat: M.E.A. Möhring,
tegen
CAPGEMINI NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het deels voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Capgemini,
advocaten: B.T.M. van der Wiel en L.V. van Gardingen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:
a. het arrest in de zaak 21/00199 van de Hoge Raad van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:437;
b. het arrest in de zaak 200.330.304/01 van het gerechtshof Den Haag van 14 januari 2025.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Capgemini heeft deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Capgemini mede door C.J.D. Warren en V.R. van der Borg.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 14 januari 2025 en tot verwijzing.
De advocaten van Capgemini hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [1]
(i) [eiser] houdt (indirect) ongeveer 80% van de (certificaten van) aandelen in Equihold B.V. en haar (indirecte) dochters 1-2 Focus Holding B.V. en 1-2 Focus Automation B.V. (hierna samen: Equihold). Equihold hield zich onder meer bezig met de exploitatie van softwareproducten.
(ii) Capgemini ontwikkelt software. Zij verleent diverse diensten, in het bijzonder consulting-, technologie-, en outsourcingsservices. Ook biedt zij detacheringservices aan.
(iii) In 2002 heeft Equihold een sportapplicatie ontwikkeld met de naam 1-2 Focus. Deze applicatie was geschreven in de programmeeromgeving en programmeertaal VB6 (hierna: de applicatie). De applicatie werd gebruikt door FC Barcelona en PSV en werd aanbevolen door diverse internationale sportorganisaties en coaches.
(iv) In 2004 heeft Equihold besloten de applicatie om te werken van VB6 naar .NET. In dat verband heeft Equihold met Capgemini in 2005 een “Raamovereenkomst applicatie ontwikkeling Equihold BV” gesloten (hierna: de raamovereenkomst).
(v) In de raamovereenkomst staat onder meer het volgende:
“OVERWEGENDE:
(...)
- dat Opdrachtgever [HR: Equihold] het voornemen heeft capaciteit op het terrein van business consultancy en applicatieontwikkeling bij Capgemini in te huren;
(...) 4.1 Capgemini zal de Diensten onder eindverantwoordelijkheid van Opdrachtgever met zorg uitvoeren, in voorkomend geval overeenkomstig de met Opdrachtgever schriftelijk vastgelegde afspraken en procedures.”
(vi) In bijlage C van de raamovereenkomst staat onder meer het volgende:
“Ten behoeve van de ondersteuning van Equihold bij de verdere ontwikkeling van het softwarepakket 1-2Focus wordt door Capgemini ten behoeve van en in nauwe samenwerking met Equihold een zogenaamde 'Rightshore Software Development Productiestraat' ingericht. Uitgangspunt hierbij is dat Equihold een meerjarig commitment aangaat voor het uitbesteden van al haar software development activiteiten aan Capgemini. (…)
De Equihold Rightshore Software Development Productiestraat is een specifiek voor én in samenwerking met Equihold ingericht concept, waarbinnen zowel in Nederland (On shore, Front Office) als in India (Offshore, Back Office) al die werkzaamheden worden verricht die nodig zijn om het softwarepakket l-2Focus (verder) te ontwikkelen, gebruikmakend van de .NET C# ontwikkeltechnologie en de Rational Unified Process (RUP) ontwikkelmethodologie zoals Capgemini die wereldwijd als standaard heeft geadopteerd.
De eindverantwoordelijkheid voor de functionaliteit van het softwarepakket l-2Focus ligt en blijft liggen bij Equihold, beslissingen over gewenste ontwikkelrichting van het pakket kunnen alleen door Equihold worden genomen.”
(vii) De eerste oplevering vond plaats in juni 2006 (versie 1.0).
(viii) Tussen partijen zijn nadere afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een brief van 24 november 2006 (hierna: de aanvullende overeenkomst). In de aanvullende overeenkomst staat onder meer het volgende:
“De geldende overeenkomst verdient qua type een aanscherping. De discussie in de afgelopen maanden maakte dit duidelijk en tussen fixed price/fixed date project enerzijds en capaciteit anderzijds zit er een wereld van verschil.
Voor de helderheid conform de huidige overeenkomst: Capgemini heeft een inspanningsverplichting, waarbij afspraken gemaakt zijn rondom de door Capgemini op te leveren kwaliteit van de software.
Budget, planning en deadlines zijn verantwoordelijkheden van 1-2Focus, kwaliteit is een verantwoordelijkheid van Capgemini en deze [heeft] wat dat betreft een vetorecht.”
(ix) In januari 2008 had Equihold een betalingsachterstand van € 370.000,--. Bij brief van 17 januari 2008 liet Capgemini weten niet langer de broncode te zullen uitleveren.
(x) Bij brief van 30 oktober 2008 heeft Capgemini al haar werkzaamheden opgeschort met ingang van 31 oktober 2008 en ten aanzien van de broncode een beroep gedaan op een retentierecht in verband met een gestelde betalingsachterstand van Equihold.
(xi) In 2009 heeft Equihold feitelijk haar activiteiten gestaakt.
(xii) In 2010 heeft Equihold de broncode laten onderzoeken door [betrokkene 3], één van haar voormalige medewerkers. [betrokkene 3] concludeert in zijn rapport:
“this code is so poor that full rewrite is inevitable.”
(xiii) Eveneens op verzoek van Equihold is de broncode onderzocht door Software Measurement and Improvement B.V. In haar rapport van 24 oktober 2010 concludeert zij dat de broncode scoort als ‘F’ in een schaal die loopt van ‘AAA’ (hoge kwaliteit) tot ‘FFF’ (lage kwaliteit).
(xiv) In oktober 2010 heeft Equihold Capgemini aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.
(xv) Equihold is in februari 2013 in staat van faillissement verklaard.
(xvi) In december 2014 heeft de curator in het faillissement van Equihold (hierna: de curator) aan Capgemini onder verwijzing naar art. 6:265 BW Pro geschreven dat de overeenkomst tussen Equihold en Capgemini wordt ontbonden.
(xvii) De vorderingen van Equihold op Capgemini zijn overgedragen aan [eiser] .
2.2
In dit geding vordert [eiser] diverse verklaringen voor recht en veroordeling van Capgemini tot betaling van schadevergoeding wegens wanprestatie althans onrechtmatige daad en tot terugbetaling van door Equihold betaalde facturen. In reconventie vordert Capgemini veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de kosten van een door Capgemini gestelde bankgarantie. De rechtbank [2] heeft de vorderingen over en weer afgewezen.
2.3
Het gerechtshof Amsterdam [3] heeft bij tussenarrest benoeming van een (of meer) deskundige(n) in het vooruitzicht gesteld.
2.4
De Hoge Raad [4] heeft het tussenarrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) ter verdere behandeling en beslissing.
2.5
Het hof [5] heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
Capgemini was verantwoordelijk voor de kwaliteit van de te leveren software en had de verplichting
high quality softwarete leveren, bestaande uit verschillende lagen, gemakkelijk te onderhouden en gemakkelijk aan te passen en uit te breiden. (rov. 7.4)
Uit het arrest van de Hoge Raad inzake Fraanje/Alukon (HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581) is het volgende af te leiden:
- De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven.
- Art. 6:83 BW Pro bevat geen limitatieve opsomming. Een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Ook kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.
- Bij de in art. 6:82 en Pro 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim gaat het niet zozeer om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen. Deze bepalingen beogen veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van partijen mocht worden verwacht.
- De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. (rov. 7.12)
De prestatie van Capgemini was niet blijvend onmogelijk. (rov. 7.16-7.21)
Onder het kopje “Is Capgemini in verzuim geraakt?” heeft het hof het volgende overwogen:
“7.22 [eiser] heeft in zijn memorie na verwijzing aangevoerd dat tegen de achtergrond van het arrest
Fraanje/Alukonmoet worden aangenomen dat Capgemini in verzuim is geraakt door de aanhoudende reeks van klachten over de werking van de software en vanaf 2010 over de gebreken in de broncode, in combinatie met de weigering van Capgemini om de geconstateerde problemen te erkennen en op te lossen. Hij wijst in dat verband op 12 omstandigheden (…). Het hof volgt hem daarin niet.
7.23
Zoals hiervoor in 7.12 is overwogen, volgt uit het arrest
Fraanje/Alukononder meer dat de rechter een redelijke oplossing moet zoeken naar gelang hetgeen in de omstandigheden van het geval van partijen kan worden verwacht. Dat gegeven doet op zichzelf niet af aan de functie van een ingebrekestelling: aan de wederpartij moet duidelijk zijn dat van haar wordt verwacht haar prestatie aan te passen omdat de schuldeiser anders zijn toevlucht zal zoeken tot de in de wet geregelde remedies. Met name dit laatste aspect ontbreekt in de door [eiser] genoemde feiten.
7.24
Voor dit oordeel is van belang dat partijen geen vastomlijnd eindproduct en evenmin een vast tijdschema waren overeengekomen. De Raamovereenkomst voorzag in de verdere ontwikkeling van de sportapplicatie op basis van (steeds) nadere werkopdrachten die door Equihold zouden moeten worden gegeven. Mede gelet daarop kan niet worden aangenomen dat Capgemini uit de geuite klachten in redelijkheid heeft moeten afleiden dat de maat voor Equihold op enig moment vol was. Dat volgt ook niet uit de e-mail van 25 juli 2006 van (…) aan Capgemini (…) waarnaar [eiser] verwijst. In die mail wordt weliswaar gesproken over een wanprestatie, maar die mail is gevolgd door de nadere overeenkomst waarin partijen hun afspraken hebben aangepast en de werkzaamheden zijn voortgezet. Datzelfde geldt in zekere zin voor de e-mail van [eiser] van 29 augustus 2006 (…) waarin wordt gevraagd om een vorm van schadeloosstelling. Ook de enkele opsomming van “issues”, “bugfixes” en “hotfixes” is tegen de achtergrond van het tussen partijen overeengekomen werkproces niet voldoende om Capgemini in verzuim te brengen.
7.25
[eiser] noemt de stelling van Capgemini dat er geen concreet eindresultaat was geformuleerd “onzinnig” (…). Het hof volgt hem daarin niet. De Raamovereenkomst biedt geen aanknopingspunt voor de stelling dat er een vast eindresultaat was afgesproken. Capgemini heeft in dat verband bij wijze van voorbeeld verwezen naar e-mails van (…) van 7 augustus 2009 en 15 augustus 2009 (…), waarin door Equihold een nadere functionaliteit van de applicatie werd gevraagd. Tussen partijen is verder niet in geschil dat werd gewerkt volgens de zogenaamde RUP-methodiek en waarbij binnen de kaders van de Raamovereenkomst, door Equihold werkopdrachten werden gegeven en capaciteit bij Capgemini werd ingehuurd. Dit verhoudt zich niet goed tot de stelling dat er vooraf een eindproduct vast stond. In de praktijk leidde dit er ook daadwerkelijk toe dat steeds werd voortgebouwd op een bepaalde versie. [eiser] heeft ook onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Equihold nieuwe eisen formuleerde die Capgemini in de software moest verwerken. Het hof kan uit de opsomming van conclusies (…) in ieder geval niet afleiden dat niet volgens de RUP-methodiek werd gewerkt en dat wel van een duidelijk gespecificeerd eindproduct sprake was.
7.26
Het hof stelt vast dat Capgemini niet heeft weersproken dat in december 2006 is toegezegd dat de gebreken binnen een half jaar zouden zijn opgelost (…). Die toezegging paste binnen het continue overleg dat partijen hadden over de ontwikkeling van de software. Uit de stellingen van [eiser] kan daarom niet worden afgeleid dat het om een fatale termijn ging.
7.27
De brief van Equihold van 31 oktober 2010 bevat vele klachten over de door Capgemini ontwikkelde software, en sluit af met de mededeling dat Equihold in gesprek wil over schadevergoeding. Daarmee bevat die brief, anders dan [eiser] stelt, geen ingebrekestelling.
7.28
Het hof volgt [eiser] evenmin in zijn stelling dat Equihold uit de houding van Capgemini mocht afleiden dat een aanmaning nutteloos zou zijn. Ook na het [A]-rapport heeft Capgemini haar werkzaamheden ten behoeve van de (door)ontwikkeling van de applicatie voortgezet. Dat de resultaten daarvan volgens Equihold nog steeds te wensen overlieten, betekent niet dat uit de houding van Capgemini kan worden afgeleid dat een aanmaning nutteloos zou zijn. Dat Capgemini tegelijkertijd aandrong op betaling van haar werkzaamheden, rechtvaardigt evenmin die conclusie.
7.29
[eiser] heeft voorts gesteld dat Equihold uit mededelingen van Capgemini heeft kunnen afleiden dat Capgemini tekort zou schieten. Volgens hem wilde Capgemini vanaf 31 oktober 2008 alleen nog maar praten over geld. Dat betoog faalt omdat Capgemini zich op 31 oktober 2008 terecht op opschorting heeft beroepen (zie 7.39 e.v.) Het stond haar, met andere woorden, vrij om geen werkzaamheden meer te verrichten totdat Equihold aan haar betalingsverplichtingen voldeed.
7.3
De stelling dat het beroep op het ontbreken van verzuim naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, faalt ook. Equihold en Capgemini zijn professionele partijen die met elkaar een zakelijke overeenkomst aangingen. Equihold wist precies wat zij van Capgemini verwachtte en moet in staat worden geacht voor haar positie op te komen. Een beroep op het ontbreken van verzuim zal in zo’n verhouding niet snel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen worden geacht. Het betoog van [eiser] is er verder op gestoeld dat Capgemini weigerde om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Dat dit zo was, kan echter niet worden aangenomen, zo is hiervoor al geconcludeerd. Ook overigens is over de feiten die [eiser] in dit verband aanvoert, hiervoor al geoordeeld.
7.31
In het kader van grief VI heeft [eiser] nog aangevoerd (…) dat Capgemini in schuldeisersverzuim is komen te verkeren. Daaraan legt hij ten grondslag dat Equihold de rekening niet kon voldoen omdat Capgemini geen deugdelijke software had opgeleverd. Anders dan [eiser] voorstaat, kan echter niet worden aangenomen dat een gebrek aan liquide middelen rechtvaardigt aan te nemen dat de niet-nakoming door Equihold (de niet-betaling van de facturen) het gevolg is van een beletsel aan de zijde van Capgemini. De succesvolle verkoop aan derden van de sportapplicatie was immers geen voorwaarde voor betaling en tussen de uitvoering van de overeenkomst en het genereren van winst door Equihold bestaat daarom niet een voldoende nauw verband om aan te nemen dat de niet-betaling het gevolg is van het handelen van Capgemini zelf.”
Verder heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
[eiser] heeft zich eerst bij memorie na verwijzing op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat Equihold gehouden was te betalen terwijl Capgemini haar contractuele verplichtingen niet was nagekomen. Op dat opschortingsrecht kan in dit geval niet voor het eerst in de procedure na verwijzing een beroep worden gedaan. Overigens zou een geslaagd beroep op een opschortingsrecht niet eraan afdoen dat Capgemini op haar beurt niet in verzuim is geraakt. (rov. 7.32-7.37)
Equihold verkeerde in schuldeisersverzuim omdat zij betalingsachterstanden had laten ontstaan en Capgemini daarom de nakoming van haar verbintenissen heeft opgeschort. Als gevolg hiervan kon Capgemini niet meer zelf in verzuim raken. (rov. 7.38-7.44)
Het betoog van [eiser] dat de door hem gestelde zogenaamde “direct geleden” schade ook voor vergoeding in aanmerking komt indien Capgemini niet in verzuim is geraakt, wordt verworpen. (rov. 7.46)
Ook wanneer aansprakelijkheid van Capgemini zou worden aangenomen, is deze beperkt tot het in de algemene voorwaarden opgenomen bedrag. Capgemini heeft zich beroepen op het exoneratiebeding in art. 11.1-11.3 van haar algemene voorwaarden. Daarin is onder meer opgenomen dat iedere vergoeding van directe schade is beperkt tot € 1.250.000,--, welk maximumbedrag komt te vervallen indien en voor zover de schade het gevolg is van opzet of grove schuld van Capgemini, en dat aansprakelijkheid voor indirecte schade is uitgesloten. De stellingen van [eiser] rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van Capgemini. Evenmin is haar beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. (rov. 9.1-9.6)
In dit geval bestaat geen ruimte om op grond van de door [eiser] gestelde onrechtmatige daad van Capgemini anders te oordelen dan over de wanprestatie. (rov. 10.1-10.3)
Capgemini is in incidenteel hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij bij afwijzing van de vorderingen van [eiser] weliswaar aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de bankgarantie, maar dat Capgemini haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd. Nog steeds kan uit de Excel-sheets en de bankafschriften niet worden afgeleid dat de door Capgemini gevorderde kosten terecht worden aangevoerd. Mede tegen de achtergrond van het in eerste aanleg gevoerde verweer en het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende inzichtelijk is dat de kosten niet disproportioneel zijn, had van Capgemini mogen worden verwacht inzicht te geven in de garantstellingsovereenkomst, waaruit de door haar verschuldigde kosten zouden zijn af te leiden. De bedragen op de Excel-sheets zeggen feitelijk niets meer dan de door Capgemini gestelde bedragen maar vormen daarvan dus geen onderbouwing. (rov. 13.2-13.4)

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1
De onderdelen 1.1-1.3 van het middel bestrijden met diverse rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het hof dat Capgemini niet in verzuim is geraakt. Deze onderdelen hebben betrekking op de overwegingen van het hof ten aanzien van de in december 2006 door Capgemini gedane toezegging dat de gebreken binnen een half jaar zouden zijn opgelost.
3.1.2
In cassatie is uitgangspunt dat nakoming door Capgemini niet blijvend onmogelijk was (rov. 7.16-7.21) en dat Equihold Capgemini niet in gebreke heeft gesteld (rov. 7.22-7.25 en 7.27).
3.1.3
Volgens art. 6:83, aanhef en onder a, BW treedt verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.
3.1.4
Het hof heeft in rov. 7.23 onder meer overwogen, onder verwijzing naar rov. 7.12 (waarin het hof een samenvatting heeft gegeven van het oordeel van de Hoge Raad in het arrest Fraanje/Alukon, zie hiervoor in 2.5), dat de rechter een redelijke oplossing moet zoeken naar gelang hetgeen in de omstandigheden van het geval van partijen kan worden verwacht. Het hof heeft verder in rov. 7.24 en 7.25 overwogen dat werd gewerkt volgens de zogenoemde RUP-methodiek waarbij binnen de kaders van de raamovereenkomst door Equihold werkopdrachten werden gegeven en capaciteit bij Capgemini werd ingehuurd, en dat partijen geen vastomlijnd eindproduct en evenmin een vast tijdschema waren overeengekomen. Tegen deze achtergrond heeft het hof vervolgens in rov. 7.26 overwogen dat de toezegging van Capgemini in december 2006 paste binnen het continue overleg dat partijen hadden over de ontwikkeling van de software en dat daarom uit de stellingen van [eiser] niet kan worden afgeleid dat het om een fatale termijn ging.
Met deze overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat zich in dit geval – gelet op de wijze van samenwerking en het voortdurende overleg tussen partijen – niet een situatie voordoet waarin sprake is van een voor de voldoening bepaalde termijn in de zin van art. 6:83, aanhef en onder a, BW.
3.1.5
Onderdeel 1.1 klaagt onder meer dat het hof met zijn oordeel in rov. 7.26 dat het bij de toezegging van Capgemini in december 2006 niet ging om een fatale termijn, heeft miskend dat ook in het kader van continu overleg een (fatale) termijn voor nakoming van (bepaalde) verbintenissen kan worden overeengekomen.
3.1.6
Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft geoordeeld dat zich in dit geval niet een situatie voordoet waarin sprake is van een voor de voldoening bepaalde termijn in de zin van art. 6:83, aanhef en onder a, BW (zie hiervoor in 3.1.4). Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof de door het onderdeel verdedigde rechtsopvatting heeft miskend.
3.1.7
Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat het blijkens de ‘tenzij-bepaling’ van art. 6:83, aanhef en onder a, BW aan de schuldenaar is om feiten te stellen die meebrengen dat de termijn een andere strekking heeft dan dat sprake is van een fatale termijn, althans dat het onbegrijpelijk is indien het hof heeft gemeend dat Capgemini dergelijke feiten heeft gesteld. Voor zover het hof zich niet heeft gebaseerd op de stellingen van partijen, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, aldus het onderdeel.
3.1.8
De klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat deze berust op een onjuiste lezing van het arrest (zie hiervoor in 3.1.4).
3.1.9
Onderdeel 1.4 richt een rechtsklacht tegen de verwerping door het hof van de stelling van [eiser] dat het beroep van Capgemini op het ontbreken van verzuim naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 7.30). Het klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat een beroep op het ontbreken van verzuim ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn indien sprake is van professionele partijen die met elkaar een zakelijke overeenkomst zijn aangegaan en de schuldeiser een partij is die weet wat zij van haar wederpartij verwacht en die in staat moet worden gesteld voor haar positie op te komen.
3.1.10
Ook deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft overwogen dat in een verhouding zoals in rov. 7.30 beschreven een beroep op het ontbreken van verzuim niet snel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geacht, en heeft dus niet miskend dat in zo’n verhouding onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van verzuim naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn.
3.1.11
Onderdeel 1.6 richt zich eveneens tegen rov. 7.30 en klaagt onder meer dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op de stellingen van [eiser] dat Capgemini door het [A]-rapport al in mei 2006 de tekortkomingen kende en geen actie heeft ondernomen om deze te herstellen, maar het rapport doelbewust verborgen heeft gehouden voor Equihold.
3.1.12
De klacht faalt. Het hof heeft overwogen dat Capgemini ook na het [A]-rapport haar werkzaamheden ten behoeve van de (door)ontwikkeling van de applicatie heeft voortgezet (rov. 7.28) en dat niet kan worden aangenomen dat, zoals [eiser] betoogt, Capgemini weigerde om herstelwerkzaamheden uit te voeren (rov. 7.30). Hierin ligt besloten dat naar het oordeel van het hof hetgeen [eiser] heeft aangevoerd over de kennis van Capgemini van het voor intern gebruik opgestelde [A]-rapport, niet maakt dat een beroep op het ontbreken van verzuim naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aldus heeft het hof afdoende gerespondeerd op de in dat verband door [eiser] aangedragen stellingen, die het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in onderlinge samenhang heeft uitgelegd en verworpen.
3.2.1
Onderdeel 2 richt zich tegen de verwerping door het hof in rov. 7.46 van het betoog van [eiser] dat geen verzuim van Capgemini is vereist voor de vergoeding van de door [eiser] gestelde schade voor zover deze bestaat uit de kosten die Equihold heeft gemaakt om de software naar behoren te laten functioneren. Onderdeel 2.1 klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat deze kosten moeten worden aangemerkt als schade die de schuldeiser niet zou hebben geleden als door de schuldenaar meteen deugdelijk was gepresteerd en die ook niet wordt weggenomen door de vervangende prestatie, zodat in zoverre nakoming blijvend onmogelijk is en verzuim zonder ingebrekestelling intreedt.
3.2.2
In het oordeel van het hof in rov. 7.46 dat het betoog van [eiser] zich niet goed verhoudt tot het eerder geschetste wettelijk stelsel, ligt besloten dat het werkend krijgen van de software naar het oordeel van het hof de door Capgemini te verrichten prestatie betreft, waartoe naar het (in cassatie tevergeefs bestreden, zie hiervoor in 3.1.6 en 3.1.8 en hierna in 3.4) oordeel van het hof Equihold Capgemini in gebreke had behoren te stellen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht faalt dus.
3.3.1
Onderdeel 3 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 9.1-9.6 dat wanneer aansprakelijkheid van Capgemini zou worden aangenomen, die aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag uit haar algemene voorwaarden, en dat hetgeen [eiser] daartegen heeft aangevoerd geen doorbreking van de exoneratieclausule rechtvaardigt.
3.3.2
Voor zover de klachten van het onderdeel zijn gestoeld op de stelling van [eiser] dat Capgemini met het [A]-rapport uit 2006 wist dat de broncode op wezenlijke onderdelen tekortschoot maar geen maatregelen heeft genomen naar aanleiding van dat rapport en bovendien het bestaan en de inhoud van dat rapport voor Equihold heeft achtergehouden, falen de klachten in het voetspoor van onderdeel 1.6 (zie hiervoor in 3.1.12).
3.4
De overige klachten van de onderdelen 1-3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.5.1
Onderdeel 4 bestrijdt de afwijzing door het hof van de vordering van [eiser] uit onrechtmatige daad (rov. 10.1-10.3).
3.5.2
Het hof overweegt in rov. 10.1 dat een vordering uit onrechtmatige daad kan bestaan naast een vordering uit wanprestatie indien daaraan andere feiten en verwijten ten grondslag worden gelegd. Vervolgens geeft het hof in rov. 10.2 een weergave van de stellingen die [eiser] ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering uit onrechtmatige daad. Het hof constateert dat [eiser] die feiten en omstandigheden ook heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn betoog dat Capgemini wanprestatie heeft gepleegd. Daarom bestaat in dit geval geen ruimte om op grond van de gestelde onrechtmatige daad anders te oordelen dan over de wanprestatie, aldus het hof in rov. 10.3.
3.5.3
Onderdeel 4.1 klaagt terecht dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat de afwijzing door het hof van de op wanprestatie gebaseerde vorderingen van [eiser] vanwege het ontbreken van verzuim van Capgemini niet zonder meer meebrengt dat ook de vorderingen van [eiser] op grond van onrechtmatige daad niet toewijsbaar zijn .
3.5.4
De overige klachten van onderdeel 4 behoeven geen behandeling.

4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1
De onderdelen 1 en 2 van het middel zijn voorgedragen onder de voorwaarde dat het principale cassatieberoep (deels) slaagt. Deze voorwaarde is vervuld (zie hiervoor in 3.5.3).
4.2
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 januari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Capgemini in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.698,47 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Capgemini deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Capgemini in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Capgemini deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
17 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie ook HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:437, rov. 2.1.
2.Rechtbank Amsterdam 29 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4111.
3.Gerechtshof Amsterdam 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2749.
4.HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:437.
5.Gerechtshof Den Haag 14 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:10.