ECLI:NL:HR:2026:1296

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
23/03413
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 1 AWRArt. 16 lid 2 aanhef en letter c AWRArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt navordering belastingrente ondanks fout bij primitieve aanslag

Belanghebbende was enig aandeelhouder van een holding waarvan de aandelen in 2016 werden verkocht. De koopprijs bleef geheel schuldig aan belanghebbende. Ondanks een akkoordverklaring van de Inspecteur over de hoogte van het vervreemdingsvoordeel, werd bij de primitieve aanslag geen rekening gehouden met dit voordeel door een fout in het geautomatiseerde aanslagproces.

De Inspecteur legde later een navorderingsaanslag op, waarbij het vervreemdingsvoordeel werd vastgesteld. Het hof oordeelde dat de Inspecteur zich niet op een kenbare fout kon beroepen omdat sprake was van een verwijtbaar onjuist inzicht, en dat belanghebbende te kwader trouw was, waardoor navordering was toegestaan.

De Hoge Raad oordeelt dat de fout bij de primitieve aanslag een neutrale, kenbare fout is die navordering rechtvaardigt. Het hof heeft een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door de fout als verwijtbaar onjuist inzicht te kwalificeren. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het principale beroep van belanghebbende ongegrond, het arrest van het hof vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de navorderingsaanslag en vernietigt het arrest van het hof wegens onjuiste rechtsopvatting over de fout bij de primitieve aanslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03413
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 juli 2023, nr. BK-23/00001 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/6203) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.A. Evertsz, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
1.2
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en daarbij tevens schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
1.3
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 26 april 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie. [2]
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende was tot 2016 enig aandeelhouder van Holding B.V. (hierna: de Holding), die op haar beurt alle aandelen hield in een dochtervennootschap.
2.2
In 2016 zijn de aandelen in de Holding vervreemd voor een bedrag van € 604.000. De koopprijs is uiteindelijk geheel door de koper schuldig gebleven aan belanghebbende.
2.3
Bij brief van 28 februari 2017 is belanghebbende uitgenodigd om vóór 1 mei 2017 aangifte te doen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016. Nadien is voor het doen van deze aangifte uitstel verleend tot 1 mei 2018.
2.4
Bij brief van 25 mei 2018 heeft de Inspecteur belanghebbende herinnerd aan de uitnodiging om aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 te doen. Bij brief van 29 juni 2018 heeft de Inspecteur belanghebbende aangemaand om alsnog aangifte te doen.
2.5
Bij brief met dagtekening 2 augustus 2018 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur verzocht om een standpuntbepaling inzake de hiervoor in 2.2 vermelde vervreemding van de aandelen in de Holding. De gemachtigde stelde voor om ter bepaling van het voordeel uit aanmerkelijk belang het vervreemdingsvoordeel vast te stellen op € 501.000. De overdrachtsprijs wordt in dit verband gesteld op de geschatte waarde van de vorderingen op de koper, te weten € 519.000.
In de brief wordt de volgende gang van zaken voorgesteld:
“[Belanghebbende] heeft in verband met de onzekerheid omtrent de hoogte van de vervreemdingswinst voor de IB 2016 nog geen aangifte ingediend. U wordt vriendelijk (…) verzocht om geen vergrijpboete aan [belanghebbende] in verband daarmee op te leggen. Nadat [belanghebbende] zekerheid heeft verkregen terzake de omvang van de vervreemdingswinst over het [jaar] 2016 zal de aangifte IB 2016 worden ingediend.”
2.6
Op 10 september 2018 heeft de Inspecteur zich akkoord verklaard met het hiervoor in 2.5 weergegeven voorstel van belanghebbende over de hoogte van het bij de vervreemding van het aanmerkelijk belang in de Holding behaalde resultaat.
2.7
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gedaan. Met dagtekening 5 januari 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve een aanslag in de IB/PVV voor dat jaar opgelegd (de primitieve aanslag). Daarbij is niet een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. Dit laatste was het gevolg van het feit dat de aanslagregelend ambtenaar heeft nagelaten een behandelvoornemen op te nemen in het computersysteem van de Belastingdienst, waaruit zou blijken dat bij het opleggen van de primitieve aanslag rekening moest worden gehouden met een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 501.000. Ook was nagelaten om handmatig periodiek de voortgang van het proces van het opleggen van de primitieve aanslag te volgen.
2.8
Met dagtekening 3 juni 2020 heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, waarbij hij het voordeel uit aanmerkelijk belang heeft vastgesteld op € 483.000.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur zich wat betreft de primitieve aanslag met succes kan beroepen op een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR.
3.2
Met betrekking tot de navordering was tussen partijen niet in geschil dat de Inspecteur niet beschikte over een nieuw feit dat navordering op grond van artikel 16, lid 1, AWR rechtvaardigt. Tussen partijen was verder niet in geschil dat zij de fiscale behandeling van de vervreemding van de aandelen in de Holding vooraf hebben afgestemd, dat belanghebbende voor het jaar van de vervreemding geen aangifte heeft gedaan en dat de Inspecteur het voordeel uit hoofde van de vervreemding bij het vaststellen van de primitieve aanslag ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen. Naar het oordeel van het Hof volgt uit deze omstandigheden dat de Inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag een fout heeft gemaakt in de ruime en neutrale zin van het woord.
3.3
Het Hof is verder van oordeel dat de hiervoor in 3.2 bedoelde fout moet worden aangemerkt als een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht. De aanslagregelend ambtenaar heeft volgens het Hof klaarblijkelijk nagelaten kennis te nemen van de bij de Belastingdienst aanwezige informatie over de vervreemding, en daardoor niet onderkend dat deze zich had voorgedaan. Bij een zorgvuldige dossiervorming en -raadpleging had deze onvolledige kennis van de feiten zich niet voorgedaan. De omstandigheid dat weinig tijd is ingeruimd voor het opleggen van ambtshalve aanslagen dient voor rekening van de Belastingdienst te komen. Er is derhalve sprake van een beoordelingsfout die aan navordering op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR in de weg staat, aldus nog steeds het Hof.
3.4
Het Hof heeft tot slot geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het behaalde vervreemdingsvoordeel te kwader trouw was in de zin van artikel 16, lid 1, tweede volzin, AWR zodat de Inspecteur op grond van artikel 16, lid 1, eerste volzin, AWR bevoegd was na te vorderen, ook al was het bestaan van het voordeel de Inspecteur bekend op het moment dat hij de primitieve aanslag oplegde.
4. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
4.1
De Hoge Raad behandelt eerst het in het incidentele beroep voorgestelde middel. Dat middel is gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur een beoordelingsfout heeft gemaakt die aan navordering in de weg staat. Het middel betoogt dat het Hof met dat oordeel artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR heeft geschonden. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, is volgens het middel de primitieve aanslag niet te laag vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingschuld of van een onjuist inzicht in het recht. De aanslag is te laag vastgesteld ten gevolge van de geautomatiseerde aanslagregeling die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat de Inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd. Dat is een fout in de ruime en neutrale zin van het woord en die fout was evident kenbaar voor belanghebbende. In die situatie is navordering toegestaan, aldus het middel.
4.2
Navordering kan op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR plaatsvinden indien ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Van dit laatste is volgens deze bepaling in elk geval sprake indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent bedraagt van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.
Het begrip fout in deze bepaling is neutraal en ruim bedoeld. Daaronder moet worden verstaan elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten, zoals fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld. [3]
4.3
Dat de aanslagregelend ambtenaar heeft nagelaten een behandelvoornemen op te nemen in het computersysteem van de Belastingdienst, is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, letter c, AWR. [4] Dit nalaten kan niet worden aangemerkt als een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingschuld. Bepalend voor de aanwezigheid van deze fout is het moment waarop het geautomatiseerde proces van het opleggen van de primitieve aanslag niet is gestopt. Dan is niet van belang dat bij het vaststellen van die aanslag geen kennis is genomen van de hiervoor in 2.6 vermelde akkoordverklaring van de Inspecteur met betrekking tot de hoogte van het bij de vervreemding van het aanmerkelijk belang in de Holding behaalde resultaat. Dat bij het opleggen van de primitieve aanslag geen rekening is gehouden met dat resultaat, is het gevolg van de hiervoor bedoelde fout. Aldus is de primitieve aanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, letter c, AWR die navordering rechtvaardigt. Het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
5. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen
5.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen over de toepasselijkheid van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, behoeft middel III, dat is gericht tegen de hiervoor in 3.4 weergeven oordelen van het Hof over toepassing van artikel 16, lid 1, tweede volzin, AWR, geen behandeling, aangezien dat middel niet kan bewerkstelligen dat de navorderingsaanslag en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente worden vernietigd.
5.2
De Hoge Raad heeft ook de overige in het principale beroep in cassatie aangevoerde klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Slotsom

6.1
Gelet op hetgeen hiervoor in de onderdelen 4 en 5 is overwogen, moet het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond en het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond worden verklaard.
6.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Tussen partijen was niet in geschil dat de te weinig geheven belasting meer dan 30 procent van het verschuldigde bedrag aan belasting bedraagt. Daarmee wordt de fout geacht voor belanghebbende kenbaar te zijn geweest. Omdat navordering op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR kan plaatsvinden, moeten de navorderingsaanslag en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente worden gehandhaafd. De Rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

7.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

8.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

3.Vgl. HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203, rechtsoverweging 2.3.3, eerste alinea.
4.Vgl. HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203, rechtsoverweging 2.3.4 en aldaar aangehaalde rechtspraak.