Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van [de vader] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure. De zaak betreft een geschil tussen [de vader] en zijn zonen, [zoon 1] en [zoon 2], over de uitleg van een overeenkomst die betrekking heeft op een geldlening of schenking. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland en een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De vader heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof, waarin zijn zonen als verweerders optreden. De advocaat-generaal W.L. Valk heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van de vader schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van de vader over het arrest van het hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
In de beslissing heeft de Hoge Raad het beroep van de vader verworpen en hem veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die zijn begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de uitspraak zijn voldaan.