Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Conform Leningovereenkomst met [vader]’. Alle betalingen van € 25.000 zijn schenkingen.
Schriftelijke bevestiging van afspraak vermelding box 3:
Saldo lening per 1 januari 2021 € 187.311’ en onder [zoon 2] :
‘Saldo lening per 1 januari 2021 € 191.631’.In de verklaring van maart is zowel onder [zoon 1] als onder [zoon 2] opgenomen:
‘Saldo lening per 1 januari 2021 € 140.382 plus ten onrechte ove[r]geboekte/verduisterde € 50.000’.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[zoon 1] en [zoon 2] hoefden niet terug te betalen
liep de omzet jaarlijks steeds meer terug, en hiermee ook de behaalde resultaten. Hiervan moesten uiteindelijk, naast het personeel, (eveneens familie), 3 gezinnen van worden onderhouden. Dit werd steeds lastiger. Het was daarom niet altijd mogelijk om de maandelijkse vaste lasten (personeel, huur, inkoop) te betalen. Derhalve werden dan ook regelmatig door vader de tekorten aangevuld. De rol van vader in deze kan worden vergeleken met stille vennoot in een vennootschap. (…)
Conclusie: derhalve durf ik met droge ogen te beweren dat de door vader ter beschikking gestelde gelden als schenking moeten worden bestempeld. Temeer omdat er al die jaren geen cent aan rente in rekening is gebracht door [vader] .
terecht). Daaruit volgt dat voor verwerping van het cassatieberoep volstaat dat de klachten tegen een van de beide pijlers falen.
met ingang van 2021 géén jaarlijkse schenkingen meer wil doen. In het woordje ‘meer’ heeft het hof een aanwijzing gelezen dat voor 2021 er wel een wil tot schenking bestond. Dat is niet onbegrijpelijk. Voorts heeft het hof niet geoordeeld dat de verklaringen van herroepelijke schenking ‘bevestigen’ dat [vader] niets op schrift heeft gesteld over een terugbetalingsverplichting, zoals het subonderdeel zegt. Het hof heeft mijns inziens niet meer bedoeld dan dat de verklaringen van herroepelijke schenking niet kunnen dienen ter onderbouwing van de stelling van [vader] dat een terugbetalingsverplichting is overeengekomen.
omdat de bedragen aan [zoon 1] en [zoon 2] zijn geleend, maar ook impliciet uit het feit dat het hof in rechtsoverweging 3.24 de betwistingen door [zoon 1] en [zoon 2] beoordeelt. Als het hof niet als uitgangspunt had genomen dat volgens [vader] sprake is van een geldlening, dan zou immers de beoordeling van die betwisting door [zoon 1] en [zoon 2] overbodig zijn geweest. Het subonderdeel verwijst naar diverse stellingen zoals genoemd in subonderdeel 1.4. Voorbeelden hiervan zijn dat [vader] altijd van een geldlening uitging, de bedragen in de fiscale rapporten over 2015-2019 als geldlening zijn aangemerkt en dat [zoon 1] en [zoon 2] achter zijn rug om de fiscale gang van zaken hebben voorgelegd aan [gezamenlijke boekhouder] die de leningen in 2019 zonder [vader] daarin te kennen als verminderd had geboekt, waarna [vader] heeft verklaard geen schenkingen meer te willen doen. Voor zover [vader] hiermee bedoelt motiveringsklachten te formuleren, slagen deze klachten niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat die stellingen kunnen leiden tot het oordeel dat voor [vader] wél een verplichting bestond om de bedragen te verstrekken.
betwistingtegen die grondslag hadden ingebracht. Niet meer, niet minder.
subonderdeel 1.6deelt in het lot van de voorgaande klachten.