ECLI:NL:HR:2026:132

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25/00980
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging van partneralimentatie en terugbetalingsverzoek in familierechtelijke geschil

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende partneralimentatie. De man, verzoeker tot cassatie, had tegen een beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld, nadat het hof de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie had verlaagd. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op € 2.948,-- bruto per maand, met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 7 september 2023. Het hof verlaagde deze alimentatie echter tot € 18,-- per maand, met dezelfde ingangsdatum. De man verzocht om terugbetaling van de te veel betaalde alimentatie, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende behoedzaam had gehandeld bij het vaststellen van de ingangsdatum van de verlaging van de alimentatie, en dat het hof niet had gemotiveerd waarom de verlaging met terugwerkende kracht was toegepast. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Deze uitspraak benadrukt de noodzaak van behoedzaamheid bij het verlagen van alimentatie met terugwerkende kracht, vooral in situaties waar dit kan leiden tot ingrijpende gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00980
Datum30 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: J.E. Strengholt-Geitenbeek,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/01/369972 / FA RK 21-1749 van de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2023;
b. de beschikking in de zaken 200.328.276/01 en 200.328.278/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 december 2024.
De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2024 en tot verwijzing.
De advocaten van de vrouw hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
De man en de vrouw zijn in 1974 met elkaar getrouwd. De beschikking van de rechtbank waarbij de echtscheiding tussen de man en de vrouw is uitgesproken, is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Voor zover in cassatie van belang ziet deze zaak op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: de partneralimentatie).
2.3
De rechtbank heeft de partneralimentatie bepaald op € 2.948,-- bruto per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, dat wil zeggen 7 september 2023 (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)).
2.4
Het hof [1] heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de partneralimentatie bepaald op € 18,-- per maand, met ingang van 7 september 2023. Het hof heeft het verzoek van de man tot terugbetaling van de door hem vanaf 7 september 2023 te veel betaalde partneralimentatie afgewezen.
Ten aanzien van de ingangsdatum van de partneralimentatie heeft het hof als volgt overwogen:

Ingangsdatum
6.1.
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is niet in geschil. Het hof zal daarom deze datum ook als ingangsdatum nemen. De echtscheidingsbeschikking is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.”
Ten aanzien van het verzoek van de man tot terugbetaling van de door hem te veel betaalde partneralimentatie heeft het hof als volgt overwogen:

Terugbetaling
6.14.
De
manheeft verzocht om terugbetaling door de vrouw van de te veel door hem betaalde partneralimentatie vanaf 7 september 2023. De
vrouwheeft hiertegen verweer gevoerd.
6.15.
Het
hofoverweegt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014: 1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365) staat bij het met terugwerkende kracht verlagen van een onderhoudsbijdrage behoedzaamheid voorop, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering. In onderhavig geval heeft de man het hof onvoldoende inzicht gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud heeft betaald. Het verzoek van de man tot terugbetaling van de door de man te veel betaalde partneralimentatie zal daarom als zijnde onvoldoende bepaald worden afgewezen.”

3.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

3.1
De Hoge Raad ziet aanleiding eerst het middel in het incidentele beroep te behandelen.
3.2
Het middel klaagt over de ingangsdatum van de door het hof vastgestelde partneralimentatie, zoals bepaald in het dictum van de bestreden beschikking. In de kern voert het middel aan dat het hof de ingangsdatum van de door hem verlaagde partneralimentatie heeft bepaald op een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn uitspraak, zonder kenbaar de behoedzaamheid te betrachten die volgens het door het hof (in rov. 6.15) aangehaalde beoordelingskader is geboden.
3.3
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad [2] gelden met betrekking tot de door de rechter
te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting en een eventuele terugbetalingsverplichting de volgende regels:
(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
3.4
Uit het dictum van de bestreden beschikking volgt dat het hof de door hem verlaagde partneralimentatie heeft laten ingaan op 7 september 2023, dat wil zeggen op een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn beschikking, te weten 19 december 2024. Uit die beschikking blijkt niet dat het hof daarbij de hiervoor in 3.3 bedoelde behoedzaamheid in acht heeft genomen. Het hof heeft niet gemotiveerd waarop zijn keuze berust om de verlaging van de partneralimentatie niet te laten ingaan op of na de datum van zijn beschikking, maar op een eerder gelegen tijdstip. Evenmin heeft het hof – uitgaande van een verlaging van de partneralimentatie met ingang van 7 september 2023 – kenbaar beoordeeld of, en in hoeverre, in redelijkheid van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen zij in overeenstemming met haar behoefte aan partneralimentatie reeds heeft uitgegeven in de periode gelegen tussen 7 september 2023 en 19 december 2024.
3.5
Op grond van het vorenstaande slaagt de hiervoor in 3.2 weergegeven klacht.

4.Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1
De onderdelen I-1 en 2 van het middel keren zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.15) dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de bedragen die hij aan de vrouw bij wege van partneralimentatie heeft betaald en dat zijn verzoek daarom als onvoldoende bepaald wordt afgewezen. Volgens de onderdelen heeft het hof met zijn oordeel de vaste rechtspraak van de Hoge Raad miskend.
4.2
Indien de rechter een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage verlaagt met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór de datum van zijn uitspraak en de onderhoudsplichtige in verband daarmee verzoekt om terugbetaling van hetgeen de onderhoudsgerechtigde in de voorafgaande periode te veel heeft ontvangen, moet de rechter aan de hand van de hiervoor in 3.3 weergegeven regels beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen laatstgenoemde in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds heeft uitgegeven. Aan die beoordeling staat niet in de weg dat de onderhoudsplichtige geen of onvoldoende inzicht heeft gegeven in hetgeen hij in de voorafgaande periode daadwerkelijk heeft betaald.
4.3
De hiervoor in 4.1 weergeven klacht treft dus doel. Voor zover onderdeel 3 hierop voortbouwt, slaagt het eveneens.
4.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
30 januari 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4126.
2.Zie bijvoorbeeld HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, rov. 3.5.1; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1081, rov. 3.2.2; HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594, rov. 3.2.1.