De zaak betreft een geschil over partneralimentatie tussen een man en een vrouw die in 1974 zijn getrouwd en in 2023 zijn gescheiden. De rechtbank stelde de partneralimentatie vast op €2.948 per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 7 september 2023. Het hof verlaagde deze alimentatie tot €18 per maand met ingang van dezelfde datum en wees het verzoek van de man tot terugbetaling van te veel betaalde alimentatie af.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende behoedzaamheid heeft betracht bij het bepalen van de ingangsdatum van de verlaging, terwijl vaste rechtspraak vereist dat bij terugwerkende kracht een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden over de redelijkheid van terugbetaling. Tevens heeft het hof nagelaten te motiveren waarom de verlaging niet op of na de datum van het vonnis is ingegaan en heeft het onvoldoende beoordeeld in hoeverre terugbetaling redelijk is.
Daarnaast miskent het hof volgens de Hoge Raad de rechtspraak door het verzoek van de man tot terugbetaling af te wijzen wegens onvoldoende inzicht in betaalde bedragen, terwijl dit geen belemmering mag zijn voor de beoordeling van de redelijkheid van terugbetaling.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.