Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor mishandeling door het geven van schoppen tegen de benen, zoals omschreven in art. 300 lid 1 Sr Pro. Het hof 's-Hertogenbosch had het noodweerverweer van de verdachte verworpen zonder dit met voldoende redenen te onderbouwen, in strijd met art. 359 lid 1 juncto Pro art. 358 lid 3 Sv Pro.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar beperkte dit tot het subsidiair tenlastegelegde feit en de strafoplegging, met uitzondering van de vrijheidsbeperkende maatregel omtrent het contactverbod. De Hoge Raad volgde deze conclusie en vernietigde het arrest voor zover het de verwerping van het noodweerverweer en de strafoplegging betreft.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof de feitelijke grondslag van het noodweerverweer had moeten onderzoeken, de voorwaarden voor aanvaarding van het verweer had moeten beoordelen en een gemotiveerde beslissing had moeten geven. De zaak is terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing.
De vrijheidsbeperkende maatregel met betrekking tot het contactverbod blijft in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 10 februari 2026 uitgesproken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de verwerping van het noodweerverweer en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.