Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
verschillendegetuigen zijn die over de door de verdachte gepleegde mishandeling verklaren”, terwijl een meervoud van getuigen niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou blijken. De tweede deelklacht houdt in dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv heeft nagelaten te responderen op het door de verdediging gevoerde noodweerverweer.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juni 2020 (pg. 111-114), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] :
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) ervan wordt verdacht dat hij op 21 juni 2020 mijn tante [slachtoffer 2] meerdere keren tegen haar been heeft geschopt en u vraagt mij of dat klopt of niet. Ja, dat klopt, dat was op de verjaardag van mijn tante. Vorige week was dat precies drie jaar geleden.”
Feit 7 (poging zware mishandeling, subs mishandeling [slachtoffer 2] )
beroep op noodweerin deze situatie niet kan worden ontzegd:
Bewijsoverwegingen
eerste deelklachtfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de onder 2.3 weergegeven bewijsmiddelen blijkt immers dat zowel de aangeefster als getuige [slachtoffer 1] hebben verklaard dat de verdachte de aangeefster tegen haar been heeft geschopt (bewijsmiddelen 1 en 3). Anders dan de stellers van het middel menen heeft het hof ten aanzien van dat schoppen dan ook uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat “er verschillende getuigen [zijn] die hierover verklaren.”
tweede deelklachtslaagt. Blijkens de onder 2.4 weergegeven pleitnota heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte, zoals hij bij de politie zou hebben verklaard, bang was voor de aangeefster omdat zij het shirt van de verdachte kapot trok en met een mes op hem af kwam lopen. In deze situatie kan de verdachte volgens de raadsman “een beroep op noodweer niet worden ontzegd”. Er zou sprake zijn, zo vervolgt hij, “van een wederrechtelijke aanranding, althans in ieder geval een onmiddellijke dreiging voor zo'n aanranding, vanuit [slachtoffer 2] jegens cliënt, waarbij verdediging door cliënt op dat moment geboden en noodzakelijk was.” De raadsman eindigt dit (subsidiaire) verweer met de conclusie dat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken “wegens noodweer”.