ECLI:NL:PHR:2025:1308

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
23/04900
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing in zaak van mishandeling met noodweerverweer

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1985, veroordeeld door het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor meerdere feiten van mishandeling en bedreiging. De verdachte heeft een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd gekregen, met een contactverbod en een locatieverbod ten aanzien van twee slachtoffers. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo. Het cassatiemiddel betreft de vraag of het hof in strijd met artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering heeft gehandeld door niet te reageren op het door de verdediging gevoerde noodweerverweer. De verdediging stelt dat de verdachte handelde uit zelfverdediging, omdat hij werd aangevallen door het slachtoffer. Het hof heeft echter geoordeeld dat er voldoende bewijs is voor de mishandeling, gebaseerd op getuigenverklaringen en foto’s van het letsel. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het hof niet met redenen heeft omkleed waarom het noodweerverweer niet is gehonoreerd, wat leidt tot nietigheid van de uitspraak. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof voor herbehandeling van het beroep, waarbij rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04900
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 13 december 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002352-21) [1] wegens 1. “mishandeling, meermalen gepleegd”, 2. (subsidiair) “mishandeling”, 6. “bedreiging met verkrachting en enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd” en 7. (subsidiair) “mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel heeft betrekking op feit 7 en valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het hof heeft overwogen “dat er
verschillendegetuigen zijn die over de door de verdachte gepleegde mishandeling verklaren”, terwijl een meervoud van getuigen niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zou blijken. De tweede deelklacht houdt in dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv heeft nagelaten te responderen op het door de verdediging gevoerde noodweerverweer.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat hij:
“op 21 juni 2020 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen tegen de benen te schoppen.”
2.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juni 2020 (pg. 111-114), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] :
(pagina 111) Ik woon in [plaats] . Ik doe aangifte van mishandeling gepleegd op 21 juni 2020.
(pagina 112)
Het gebeurde zo plotseling. Dit gebeurde allemaal in de tuin. [verdachte] schopte intussen tegen mij aan toen ik tussen hem en mijn nichtje ging staan. [verdachte] schopte tegen mijn benen. Terwijl hij schopte probeerde ik en [slachtoffer 1] hem weg te duwen, de keuken in. Het schoppen deed zeer. Mijn benen zijn nu een beetje blauw en dik geworden. Toen dit alles gebeurde stond de buitendeur open.
2. De eigen waarneming van het hof van de foto die als bijlage bij het zojuist genoemde proces-verbaal is gevoegd inhoudende:
Op de foto op pagina 117 van het dossier neemt het hof verkleuringen op een been waar.
3. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [slachtoffer 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 27 juni 2023, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer 1] voornoemd:
U houdt mij voor dat [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) ervan wordt verdacht dat hij op 21 juni 2020 mijn tante [slachtoffer 2] meerdere keren tegen haar been heeft geschopt en u vraagt mij of dat klopt of niet. Ja, dat klopt, dat was op de verjaardag van mijn tante. Vorige week was dat precies drie jaar geleden.”
2.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2023 heeft de raadsman zijn pleidooi gevoerd overeenkomstig een aldaar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

Feit 7 (poging zware mishandeling, subs mishandeling [slachtoffer 2] )
(…)
Subsidiair:
Als het genoemde letsel bij [slachtoffer 2] al door cliënt zou zijn veroorzaakt, dan kan niet worden uitgesloten dat dit is ontstaan tijdens de worsteling met [slachtoffer 2] , in reactie op de aanval (wederrechtelijke aanranding) van [slachtoffer 2] jegens cliënt: Immers trok [slachtoffer 2] het shirt van cliënt kapot en kwam zij met een mes op cliënt aflopen. Cliënt was hierdoor bang voor [slachtoffer 2] , zo verklaart hij bij de politie (pag. 79 dossier), zodat cliënt een
beroep op noodweerin deze situatie niet kan worden ontzegd:
Er was sprake van een wederrechtelijke aanranding, althans in ieder geval een onmiddellijke dreiging voor zo'n aanranding, vanuit [slachtoffer 2] jegens cliënt, waarbij verdediging door cliënt op dat moment geboden en noodzakelijk was.
Conclusie feit 7:
In beide gevallen dient cliënt te worden vrijgesproken.
In de eerste plaats wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Subsidiair vrijspraak wegens noodweer.
2.5
Het bestreden arrest houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

Bewijsoverwegingen
(…)
Ten aanzien van het onder feit 7 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat indien het genoemde letsel bij [slachtoffer 2] al door de verdachte zou zijn veroorzaakt, dat dan niet kan worden uitgesloten dat dit is ontstaan tijdens de worsteling met [slachtoffer 2] in reactie op de aanval van [slachtoffer 2] jegens de verdachte. Het was immers [slachtoffer 2] die het shirt van de verdachte kapot trok en met een mes op de verdachte kwam aflopen. De verdachte was hierdoor bang voor [slachtoffer 2] , zodat in deze situatie hem een beroep op noodweer toekomt.
(…)
Ten aanzien van feit 7
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen in de bewijsmiddelen is opgenomen is het hof van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft geschopt. Zo zijn er verschillende getuigen die hierover verklaren en zitten er foto’s van het letsel in het dossier.
(…)
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.”
2.6
De
eerste deelklachtfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de onder 2.3 weergegeven bewijsmiddelen blijkt immers dat zowel de aangeefster als getuige [slachtoffer 1] hebben verklaard dat de verdachte de aangeefster tegen haar been heeft geschopt (bewijsmiddelen 1 en 3). Anders dan de stellers van het middel menen heeft het hof ten aanzien van dat schoppen dan ook uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat “er verschillende getuigen [zijn] die hierover verklaren.”
2.7
De
tweede deelklachtslaagt. Blijkens de onder 2.4 weergegeven pleitnota heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte, zoals hij bij de politie zou hebben verklaard, bang was voor de aangeefster omdat zij het shirt van de verdachte kapot trok en met een mes op hem af kwam lopen. In deze situatie kan de verdachte volgens de raadsman “een beroep op noodweer niet worden ontzegd”. Er zou sprake zijn, zo vervolgt hij, “van een wederrechtelijke aanranding, althans in ieder geval een onmiddellijke dreiging voor zo'n aanranding, vanuit [slachtoffer 2] jegens cliënt, waarbij verdediging door cliënt op dat moment geboden en noodzakelijk was.” De raadsman eindigt dit (subsidiaire) verweer met de conclusie dat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken “wegens noodweer”.
2.8
Dit verweer – dat in het bestreden arrest is samengevat als dat de verdachte in de door hem omschreven situatie “een beroep op noodweer toekomt” – kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv. [2] Het hof is van dit standpunt afgeweken doordat het de (onder 7) tenlastegelegde mishandeling bewezen heeft verklaard, terwijl deze beslissing in strijd met art. 359 lid 2 (eerste volzin) Sv niet met redenen is omkleed. Bij een beroep op noodweer had het hof (i) de feitelijke grondslag van dat beroep moeten onderzoeken, (ii) moeten beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en (iii) een gemotiveerde beslissing moeten geven op dat verweer. [3] Dit verzuim leidt tot nietigheid, zodat het middel in zoverre slaagt.

3.Afronding

3.1
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 15 december 2023 tot aan de uitspraak vermoedelijk meer dan twee jaren zullen zijn verstreken, zodat in dat geval de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen of verwezen – of, wanneer dat niet het geval is, de Hoge Raad zelf – zal met deze overschrijding rekening dienen te houden. Ik merk daarbij op dat met de constatering van die overschrijding kan worden volstaan, als deze niet meer dan één maand bedraagt. [4]
3.2
Verder geef ik in overweging bij een vernietiging van de strafoplegging de vrijheidsbeperkende maatregel daarvan uit te zonderen voor zover die betrekking heeft op het contactverbod in met [slachtoffer 1] . Zij is het slachtoffer in de bewezenverklaarde feiten 1, 2, en 6 en deze feiten staan in cassatie niet meer ter discussie. Overigens zal de door het hof bepaalde looptijd van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel naar verwachting voorbij zijn op het moment dat de Hoge Raad uitspraak doet.
3.3
Ambtshalve heb ik verder geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 7 subsidiair tenlastegelegde feit en de strafoplegging, met uitzondering van de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover die betrekking heeft op het contactverbod met [slachtoffer 1] , en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Uit HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3474 volgt dat noodweer ook als een dergelijk verweer moet worden aangemerkt als de wederrechtelijkheid bestanddeel is van de delictsomschrijving, zoals het geval is bij mishandeling (HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690).
3.HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633,
4.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.