Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 september 2023, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal uit een auto door middel van braak. De advocaat van verdachte heeft een cassatiemiddel ingediend, maar de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Gezien de opgelegde straf van 60 dagen gevangenisstraf, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, volstaat het oordeel dat de termijn is overschreden zonder verdere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.