ECLI:NL:HR:2026:16

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/00106
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van beschikking inzake beklag ex art. 552a Sv en art. 98.4 jo. 552a Sv tegen beslag op waardegoederen en administratie

Op 6 januari 2026 heeft de Hoge Raad der Nederlanden uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende een beschikking van de rechtbank Overijssel. De zaak betreft een beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv, ingediend door de klager, die verdacht wordt van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten de EU, met gebruik van vervalste handelsdocumenten. De klager heeft bezwaar gemaakt tegen het beslag op waardegoederen, gegevensdragers en administratie.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer is opgemaakt, zoals vereist door artikel 25 lid 1 Sv. Dit proces-verbaal moet de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en andere relevante gebeurtenissen bevatten. Het ontbreken van dit proces-verbaal is een schending van de procedurele vereisten, waardoor het cassatiemiddel van de klager slaagde. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe behandeling.

De Hoge Raad heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen, zodat deze opnieuw kan worden behandeld en afgedaan. Deze uitspraak is van belang voor de waarborging van de rechtsgang en de naleving van de procesregels in strafzaken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00106 Bv
Datum6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023, nummers RK 23/019717 en 22/23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 25 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 24 maart 2023 is opgemaakt.
2.2
Op grond van artikel 25 lid 1 Sv moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken.
2.3
Het proces-verbaal waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal is opgemaakt. Het cassatiemiddel slaagt daarom.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.