Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
Op 6 januari 2026 heeft de Hoge Raad der Nederlanden uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende een beschikking van de rechtbank Overijssel. De zaak betreft een beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv, ingediend door de klager, die verdacht wordt van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten de EU, met gebruik van vervalste handelsdocumenten. De klager heeft bezwaar gemaakt tegen het beslag op waardegoederen, gegevensdragers en administratie.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer is opgemaakt, zoals vereist door artikel 25 lid 1 Sv. Dit proces-verbaal moet de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en andere relevante gebeurtenissen bevatten. Het ontbreken van dit proces-verbaal is een schending van de procedurele vereisten, waardoor het cassatiemiddel van de klager slaagde. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe behandeling.
De Hoge Raad heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen, zodat deze opnieuw kan worden behandeld en afgedaan. Deze uitspraak is van belang voor de waarborging van de rechtsgang en de naleving van de procesregels in strafzaken.