Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2024, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke brandstichting in een personenauto. De verdachte had het vuur aangestoken terwijl een medeverdachte de vluchtauto ging halen, hetgeen het hof als voldoende nauwe en bewuste samenwerking kwalificeerde.
De advocaat van de verdachte stelde een cassatiemiddel voor, maar de advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, en uitgesproken op 3 februari 2026. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest inzake medeplegen opzettelijke brandstichting blijft in stand.