ECLI:NL:HR:2026:166

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
23/03690
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.B OpiumwetArt. 420bis.1.b SvArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor cocaïnehandel en witwassen met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 september 2023, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het verkopen van cocaïne en witwassen van de opbrengsten daarvan. De verdachte had cassatie ingesteld tegen het hofarrest.

De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, werd ambtshalve de straf verminderd van 30 maanden (waarvan 10 maanden voorwaardelijk) naar 29 maanden gevangenisstraf met dezelfde voorwaardelijke duur en proeftijd. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafduur en verwierp het beroep voor het overige.

Daarnaast werd de verbeurdverklaring van alle geldbedragen uit de cocaïnehandel bevestigd. De zaak betrof ook de vraag of het in de kassa aangetroffen bedrag van €145 als witwassen kon worden aangemerkt, hetgeen door de Hoge Raad werd bevestigd op basis van artikel 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd met vermindering van gevangenisstraf naar 29 maanden wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03690
Datum3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 september 2023, nummer 20-000350-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 februari 2026.