Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 februari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal het juiste aanvangsmoment van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro bij een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het beginpunt van de redelijke termijn moest liggen bij het moment waarop hij op de hoogte was van het strafrechtelijk financieel onderzoek, terwijl het hof het moment bepaalde op de datum waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar maakte om de ontnemingsvordering aanhangig te maken.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie, met name het arrest HR:2008:BD2578, waarin is vastgesteld dat het aanvangsmoment in ontnemingszaken kan verschillen van dat in de strafzaak zelf en dat het aan de feitenrechter is om dit moment te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het hof had dit oordeel voldoende gemotiveerd en geen onjuiste rechtsopvatting gehanteerd.
De verdediging had niet onderbouwd dat de betrokkene al eerder op de hoogte was van het strafrechtelijk financieel onderzoek, waardoor het hof het juiste aanvangsmoment had gekozen. Ook de klachten over de overschrijding van de redelijke termijn werden door het hof adequaat beoordeeld, waarbij de overschrijding in hoger beroep werd gecompenseerd door matiging van de straf.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat de betalingsverplichting tot ontneming van €149.387,60 aan de Staat opgelegd moest worden. Hiermee is de procedure binnen een redelijke termijn behandeld en is het beroep van de betrokkene afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof over het aanvangsmoment van de redelijke termijn en de oplegging van de betalingsverplichting tot ontneming.