ECLI:NL:HR:2026:196
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over aftrek persoonsgebonden scholingsuitgave bij betaling collegegeld voor studie verblijfsvergunning
De zaak betreft een geschil tussen de Staatssecretaris van Financiën en belanghebbende over de aftrek van persoonsgebonden scholingsuitgaven op grond van artikel 6.40, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001. Belanghebbende had collegegeld betaald aan een universiteit in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel studie.
De Staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat de aftrek niet toekwam, terwijl belanghebbende dit betwistte. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had in hoger beroep een uitspraak gedaan die nu in cassatie werd aangevochten.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van de Staatssecretaris slaagt op de gronden van een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2026:84) en dat ook het incidentele cassatiemiddel van belanghebbende slaagt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding en wijst erop dat het verwijzingshof zal beoordelen of belanghebbende ook kostenvergoeding toekomt voor eerdere procedures. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 6 februari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.