Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, veroordeeld voor medeplegen van bedrijfsmatig telen van hennep.
Het hof had het voordeel geschat op € 8.100 op basis van verklaringen van een medebetrokkene en WhatsApp-gesprekken, waarbij werd vastgesteld dat betrokkene over een langere periode meermalen hennep knipte en daarvoor € 15 per uur ontving. De verdediging voerde aan dat de berekening onvoldoende gemotiveerd was, maar het hof oordeelde dat de schatting toereikend was.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht voldoende aanwijzingen had voor het voordeel uit andere strafbare feiten en dat de schatting op wettige bewijsmiddelen was gebaseerd. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van de betalingsverplichting van € 7.290 naar € 6.925.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en wees de zaak terug voor herberekening, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vermindert betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel tot € 6.925 wegens overschrijding redelijke termijn.