Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de mishandeling van de ex-partner van verdachte centraal. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders en veroordeelde hem. Het cassatieberoep richtte zich op de bewijswaardering en de motivering van het hof.
De verdediging voerde aan dat verdachte op het moment van het delict elders was, wat volgens artikel 359 lid 2 Sv Pro tot vrijspraak zou moeten leiden. Daarnaast werd geklaagd over de redengevendheid van een aanvullende getuigenverklaring die het hof als bewijsmiddel had gebruikt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de door verdachte aangevoerde feiten terecht als onvoldoende bewijs (u.o.s.) heeft opgevat, maar vervolgens gemotiveerd heeft waarom het wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht. De verklaring van de aangeefster en twee getuigen werd zwaarder gewogen dan de verklaringen van buren. Ook de aanvullende verklaring van getuige A werd op juiste wijze betrokken bij de bewijswaardering.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatiemiddel niet leidt tot cassatie en verwerpt het beroep. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bevestigd.