Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:245

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
25/00135
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a lid 2 letter e Wet LB 1964Art. 31a lid 7 Wet LB 1964Art. XIV Belastingplan 2019Art. 10ec UBLB 1965Art. 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verkorting maximale looptijd 30%-regeling loonbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling loonbelasting bevestigde, ook in gevallen waarin eerder een beschikking met een langere looptijd was verleend.

De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:123) waarin de gronden voor afwijzing van het beroep uitvoerig zijn behandeld. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van belanghebbende falen en verklaart het beroep ongegrond.

De zaak betreft de toepassing van artikel 31a, lid 2, letter e en lid 7 van de Wet LB 1964, het Belastingplan 2019 en het evenredigheids-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de verkorting van de 30%-regeling en onderstreept de zorgvuldige afweging van belangen door de fiscus en rechterlijke instanties.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling blijft van kracht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00135
Datum13 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X3] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2024, nrs. 24/3130 en 24/3131 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 21/3554 en HAA 21/3555), betreffende de inhouding van loonbelasting over de tijdvakken januari en februari 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.R. Hauser en M. van den Beucken, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door F.R. Herreveld, advocaat.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 25/00133, ECLI:NL:HR:2026:123.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.