ECLI:NL:HR:2026:264

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
25/02286
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van A.F.M.J. Verhoeven tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 15 mei 2025 beoordeeld. De griffier heeft de indiener op 8 augustus 2025 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Ondanks ontvangst van deze kennisgeving is het griffierecht niet voldaan.

Op 17 september 2025 heeft de griffier de indiener in de gelegenheid gesteld om te reageren op het niet betalen van het griffierecht, conform artikel 8:36c, lid 2, Awb. Deze mededeling is ook per e-mail verzonden. De indiener heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 20 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02286
Datum20 februari 2026
ARREST
op het door A.F.M.J. Verhoeven, ingediende beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 15 mei 2025, nr. LEE 24/4215 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief van 8 augustus 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door de indiener van het beroepschrift opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 17 september 2025 een bericht in het digitale dossier in deze zaak geplaatst waarbij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 17 september 2025 een kennisgeving verzonden naar het door de indiener van het beroepschrift voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat de indiener van het beroepschrift dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 17 september 2025.
De indiener van het beroepschrift heeft van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruikgemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.