ECLI:NL:HR:2026:276
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht
A.F.M.J. Verhoeven stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2025. De griffier van de Hoge Raad wees de indiener bij aangetekende brief op 28 augustus 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Deze brief werd afgeleverd op het opgegeven adres.
Het griffierecht werd echter niet voldaan. Vervolgens ontving de indiener op 26 september 2025 een tweede aangetekende brief waarin hij werd verzocht te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald. Ook deze brief werd afgeleverd, maar de indiener maakte geen gebruik van deze gelegenheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd op 20 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.