Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 13 november 2025 op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze brief werd afgeleverd op het opgegeven adres.
Het griffierecht werd echter niet voldaan. Op 16 december 2025 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de vraag waarom het griffierecht niet was betaald, en stuurde hiervan een kennisgeving naar het opgegeven e-mailadres. De Hoge Raad gaat ervan uit dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, conform artikel 8:36c, lid 2, Awb.
Belanghebbende maakte geen gebruik van de gelegenheid om te reageren. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.