Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Deze brief werd afgeleverd op het opgegeven adres.
Het griffierecht werd echter niet betaald. Vervolgens plaatste de griffier op 12 december 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de mogelijkheid om te reageren op de niet-betaling. Deze kennisgeving werd ook per e-mail verzonden. Gezien artikel 8:36c, lid 2, Awb, wordt aangenomen dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen.
Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid om te reageren. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is uitgesproken op 27 februari 2026 door de vice-president en raadsheren.