ECLI:NL:HR:2026:316

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
25/02637
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2025. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Uit het dossier bleek dat het beroepschrift op 23 juli 2025 was ontvangen, terwijl de termijn van zes weken, zoals gesteld in artikel 6:7 Awb Pro, op 22 juli 2025 was verstreken.

De Hoge Raad stuurde op 29 juli 2025 een bericht aan belanghebbende met de vraag om binnen vier weken een toelichting te geven op de overschrijding van de beroepstermijn. Dit bericht werd ook per e-mail verzonden. Belanghebbende heeft niet gereageerd.

Gezien het uitblijven van een reactie en de overschrijding van de termijn verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 27 februari 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02637
Datum27 februari 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2025, nr. SGR 24/8223 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Rechtbank heeft op de uitspraak van de Rechtbank aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 10 juni 2025.
Het via het webportaal van de Hoge Raad ingediende beroepschrift in cassatie heeft blijkens het digitale dossier van belanghebbende op 23 juli 2025 de Hoge Raad bereikt. Gelet op artikel 8:36c, lid 1, Awb geldt die datum als datum van ontvangst van het beroepschrift in cassatie. Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 22 juli 2025.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 29 juli 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 29 juli 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 29 juli 2025. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.