Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over medeplegen van beroeps- en/of bedrijfsmatig opzettelijk vervalste merkkleding. De verdachte werd veroordeeld voor het meermalen hebben van vervalste merkkleding in voorraad.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, die volgens hem verminderd moest worden tot de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof het vonnis terecht had bevestigd, ook al was in het vonnis van de rechtbank niet de inhoud van de redengevende bewijsmiddelen weergegeven.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf met acht maanden. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op zeven maanden en drie weken, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het overige van het arrest wordt bevestigd.