ECLI:NL:HR:2026:373
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor de betaling.
De brief werd volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Vervolgens plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende en stuurde een kennisgeving naar het opgegeven e-mailadres, waarin belanghebbende werd verzocht aan te geven waarom het griffierecht niet was betaald.
Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 6 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.