Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
17 maart 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kg cocaïne op een boot nabij Venezuela. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis, maar alleen wat betreft de duur van de straf, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het vonnis konden leiden, behalve dat de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn moest worden verminderd.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Daarom werd de gevangenisstraf verminderd van zeven jaren naar zes jaren en acht maanden. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van zeven jaren naar zes jaren en acht maanden wegens overschrijding redelijke termijn.