Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.Het eerste middel
kunnenzijn voor de door de rechter op voet van art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissingen’. De Curaçaose regeling rept in beperktere zin over gegevens die ‘in verband met een verdenking tegen een bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en voor zover zij in het verband van diens strafvervolging
wordengebruikt’. Het Nederlandse criterium gaat uit van stukken die redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor de rechter en ziet niet op het daadwerkelijke gebruik ervan, terwijl het Curaçaose criterium meer ziet op daadwerkelijk gebruik in de strafvervolging tegen de verdachte.
arises only to the extent that it was relevant for the applicant’s case(curs. D.P.), specifically that it contained such particulars which could have enabled the applicant to exonerate himself or have his sentence reduced or might have related to the admissibility, reliability and completeness of the directly relevant evidence.’ Het is aan de nationale autoriteiten om te bepalen of het bewijs in een van die categorieën valt. Daarbij mogen de aan het verzoek van de verdediging tot de toegang tot dat bewijs ten grondslag liggende argumenten worden betrokken. Een procedure echter, waarbij de vervolgende instantie zelf bepaalt wat wel of niet relevant is voor de zaak, zonder dat daarbij ‘procedural safeguards’ bestaan voor de verdediging, voldoet niet aan art. 6 lid 1 EVRM Pro. [15]
eerste deelklacht,die inhoudt dat de Straatsburgse jurisprudentie ‘duidelijk maakt’ dat het rapport van de Landsrecherche in het dossier had moeten worden gevoegd en dat het Hof daarom het verzoek daartoe ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, zie ik – anders dan de steller van het middel en zonder nadere toelichting – niet in dat en waarom de Straatsburgse jurisprudentie ‘duidelijk maakt’ dat het rapport van de Landsrecherche aan het dossier had moeten worden gevoegd en dat het Hof daarom het verzoek daartoe ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Die jurisprudentie laat immers onverlet dat de verdediging geen onbegrensd recht heeft op (voeging van) stukken en het (onder meer) aan de nationale rechter is om te bepalen of het betreffende stuk ‘relevant’ is, meer in het bijzonder ‘that it contained such particulars which could have enabled the applicant to exonerate himself or have his sentence reduced or might have related to the admissibility, reliability and completeness of the directly relevant evidence’. Bij zijn oordeelsvorming daaromtrent mag de nationale rechter betrekken hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Daarbij merk ik op dat het Hof in verband met de afwijzing van het verzoek heeft overwogen dat de vraag of de geweldsaanwending jegens de kapitein (on)rechtmatig was (in de zin van art. 2 EVRM Pro) in de zaak van de verdachte niet ter beoordeling van het Hof voorligt en de uitkomst van het onderzoek van de Landsrecherche naar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de dood van de kapitein – wat daar ook van zij – niet relevant is voor enig te nemen beslissing in de strafzaak tegen de verdachte. Verder heeft het Hof in dat verband overwogen dat zelfs als sprake zijn van een normschending jegens de kapitein, het niet de verdachte is die daardoor in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen is getroffen en ook ‘overigens dienaangaande’ niet is gebleken van een normschending in de zaak tegen de verdachte.
tweede deelklacht, die luidt dat het Hof heeft ‘miskend’ dat het rapport van de Landsrecherche een bredere strekking heeft dan de dood van de kapitein kan ik evenmin volgen. Het Hof heeft, zoals weergegeven, het verzoek op niet onbegrijpelijke wijze opgevat als enkel en alleen betrekking hebbend op het disproportionele geweld bij de aanhouding. Tegen die achtergrond faalt deze deelklacht.
derde deelklachtluidt dat het Hof bij de afwijzing een onjuist criterium heeft gehanteerd, door te overwegen dat het onderzoek door de Landsrecherche niet was gericht op de vraag of in het onderzoek naar de verdachte sprake is geweest van normschendingen. Het Hof heeft overwogen dat de uitkomst van het onderzoek van de Landsrecherche ‘niet relevant [is] voor enig te nemen beslissing in de strafzaak van de verdachte’ en heeft het verzoek ‘om genoemde reden’ afgewezen. Daarmee heeft het Hof het juiste criterium gehanteerd en mist de klacht feitelijke grondslag.
vierde deelklachthoudt in dat het oordeel van het Hof dat het verzoek om voeging van het rapport van de Landsrecherche kan worden afgewezen, omdat (kortgezegd) de dood van de kapitein niet in de zaak van de verdachte voorligt en de verdachte door die dood niet is getroffen in zijn belang, onbegrijpelijk is, omdat het Hof in de strafmotivering de relevantie van de dood van de kapitein voor de strafzaak van de verdachte heeft verwoord. Het Hof heeft bij de oplegging van de straf rekening gehouden met de latere impact van de wijze waarop de achtervolging van [B] en de interceptie heeft plaatsgevonden en de ‘overige omstandigheden’ die daarbij een rol hebben gespeeld. Dat het Hof in het kader van die ‘overige omstandigheden’ onder meer de dood van de kapitein heeft genoemd, maakt niet reeds dat de beslissing van het Hof om het verzoek tot voeging van het rapport van de Landsrecherche af te wijzen onbegrijpelijk is. De vraag of een stuk in het dossier dient te worden gevoegd, moet worden beantwoord aan het hand van het noodzaakscriterium, dat wordt ingevuld door het relevantiecriterium, terwijl de rechter bij het bepalen van de straf een grote mate van vrijheid heeft en met alle omstandigheden rekening kan houden. De klacht miskent dat fundamentele verschil en faalt daarom.
vijfde en laatste deelklachtklaagt dat het onbegrijpelijk is dat het Hof het verzoek tot voeging heeft afgewezen en bij de verwerping van het verweer heeft ‘gespeculeerd’ door ‘een zekere ontlading’ aan de militairen toe te dichten.
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
eerste deelklachthoudt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het veelvuldig schieten op [B] om deze tot stoppen te brengen niet disproportioneel is, althans dat dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.
tweede deelklachtklaagt – evenals het eerste middel – dat het oordeel van het Hof dat (kortgezegd) de dood van de kapitein niet in de zaak van de verdachte voorligt en de verdachte door die dood niet is getroffen in zijn belang, onbegrijpelijk is, omdat het Hof in de strafmotivering de relevantie van de dood van de kapitein voor de strafzaak van de verdachte heeft verwoord. Deze klacht faalt op gronden die ik in randnummer 3.30 uiteen heb gezet. Daarbij meen ik dat de positieve verplichtingen van art. 2 en Pro 3 EVRM waarop de steller van het middel – zonder nadere onderbouwing – een beroep doet, voor wat betreft art. 2 EVRM Pro (recht op leven) slechts gelden jegens het slachtoffer of de nabestaanden ingeval zij in die hoedanigheid daarom vragen. [23] Daarbij houdt de positieve verplichting van art. 3 EVRM Pro (verbod van foltering) verband met de mogelijkheid voor de klager om een verdedigbare klacht aan de rechter voor te leggen. [24]
derde deelklachtklaagt over het oordeel van het Hof dat de bedreigingen, beledigingen en vernederingen niet voldoen aan de ‘minimum level of severity’, welk oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn.
(i.) dat sprake is geweest van een risicovolle en intensieve achtervolging;
vierde deelklachtkeert zich tegen de verwerping van de verweren met betrekking tot de schending van de verbaliseringsplicht en de onwaarheden en omissies in processtukken.
meerderetelefoons en
tweemachinegeweren door de verdachten overboord worden gegooid. Het Hof overwoog verder dat evenmin is te zien dat de kapitein die is neergeschoten door een van de militairen, met een schroevendraaier een van de andere militairen die aan boord kwam, aanviel en dat er een gevecht ontstond. Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat deze feiten en omstandigheden wel zijn opgenomen in het proces-verbaal “bevindingen camerabeelden interceptie” en daaropvolgend overwogen dat het feit dat er verschillen zitten tussen het proces-verbaal en hetgeen is vast te stellen op grond van de beschikbare camerabeelden, afbreuk doet aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal op die onderdelen. Het Hof heeft geoordeeld dat dit in beginsel een normschending oplevert, maar heeft daaraan ‘in dit geval’ geen verdere gevolgen aan verbonden omdat niet is gebleken dat de verdachte door de genoemde verschillen in zijn belangen is geschaad en een en ander gecontroleerd en naar het oordeel van het Hof ook voldoende gecompenseerd is kunnen worden door het beschikbaar komen van de camerabeelden. Uiteindelijk heeft het Hof onder het kopje ‘conclusies ten aanzien van de verweren’ geoordeeld dat het ‘al met al’ van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd.
vijfde deelklachtborduurt voort op de eerdere deelklachten en klaagt dat het oordeel van het Hof dat hoewel er sprake is geweest van een aantal normschendingen in het vooronderzoek welke het Hof constateert, al met al geen sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze kon worden gecompenseerd en de procedure als geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM Pro, ‘in het licht van het voorgaande’ onjuist en/of onbegrijpelijk is. Nu de eerdere deelklachten mijns inziens falen, deelt deze deelklacht in dat lot. Daarbij merk ik op dat de vaststelling van één of meerdere normschendingen niet zonder meer maakt dat daarom geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. [30] Het oordeel van het Hof acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.