ECLI:NL:HR:2026:404
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing griffierecht ondanks beroep op betalingsonmacht
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Gelderland met betrekking tot een voorlopige voorziening en hoger beroep in een belastingzaak.
Belanghebbende voerde betalingsonmacht aan om af te zien van het griffierecht in de cassatieprocedure. De griffier van de Hoge Raad heeft daarop informatie ingewonnen en concludeerde dat het netto-inkomen van belanghebbende niet lager was dan 95 procent van de relevante maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande tot de AOW-gerechtigde leeftijd.
De Hoge Raad oordeelde dat de griffier terecht geen aanleiding had gezien om af te zien van de heffing van het griffierecht. De klachten van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof konden niet leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Het arrest werd gewezen door raadsheren Feteris, van der Voort Maarschalk en van Roij en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het griffierecht blijft verschuldigd.