Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen Aprisco c.s. en [verweerder] over inzage in bescheiden en administratie met betrekking tot het Nativa-project in Costa Rica. Aprisco c.s. vorderden inzage en afschrift van diverse documenten, waaronder correspondentie en fysieke administratie, op grond van art. 843a (oud) Rv na het leggen van bewijsbeslag.
De rechtbank had een breed inzagerecht toegekend, maar het hof beperkte dit onder meer tot bescheiden vanaf 1 januari 2010 en tot de fysieke administratie die door EY aan [verweerder] was afgegeven. Het hof motiveerde deze beperkingen onder meer met het vereiste dat het inzageverzoek in het verlengde moet liggen van het bewijsbeslag en met de tweeconclusieregel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat het inzageverzoek na bewijsbeslag beperkt moet zijn tot de grondslag van dat bewijsbeslag. Ook is het hof tekortgeschoten door niet te erkennen dat Aprisco namens Missy het inzageverzoek heeft gedaan. De beperking van de inzage in de tijd wordt eveneens onterecht geacht, omdat er concrete aanwijzingen zijn voor frauduleus handelen vóór 2010. De Hoge Raad vernietigt daarom de hofbeschikkingen en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofbeschikkingen over inzagerecht na bewijsbeslag en verwijst zaak voor verdere behandeling.