Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen. [1]
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Tevens heeft belanghebbende een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.
Het beroepschrift in cassatie voldeed niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van het beroep ontbraken. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 15 januari 2026 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van herstel het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
Belanghebbende heeft wel gereageerd op de brief, maar het verzuim niet hersteld. De Hoge Raad heeft daarop het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 13 maart 2026 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep.