ECLI:NL:HR:2026:420

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/03977
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Tevens heeft belanghebbende een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.

Het beroepschrift in cassatie voldeed niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van het beroep ontbraken. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 15 januari 2026 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van herstel het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

Belanghebbende heeft wel gereageerd op de brief, maar het verzuim niet hersteld. De Hoge Raad heeft daarop het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 13 maart 2026 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03977
Datum13 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 september 2024, nr. SGR 23/7254 V.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen. [1]

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. Bij brief van 15 januari 2026 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen. In deze brief is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn het in die brief genoemde verzuim zal worden hersteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 12 februari 2026, maar zonder het verzuim te herstellen. De Hoge Raad zal daarom met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.