Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
17 maart 2026.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het hof veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 613.260,92, gebaseerd op een kasopstelling van omgezette bitcoins in de periode oktober 2016 tot en met november 2017. Het hof stelde vast dat de betrokkene geen legale inkomsten of bezittingen had, behalve een kleine UWV-uitkering in 2011, en dat de KvK-inschrijving van zijn eenmanszaak was doorgehaald. De verdediging voerde aan dat de betrokkene in 2012 ongeveer 1.982 bitcoins had gekocht voor € 12.000 uit legale autohandel, en dat de waardestijging van de bitcoins tot 2017 deze waarde verklaart, ondersteund door borgstellings- en getuigenverklaringen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het verweer van de verdediging, met name de legale herkomst van de bitcoins en de waardestijging, niet aannemelijk is. Het hof heeft weliswaar gewezen op de doorhaling van de KvK-inschrijving, maar heeft niet kenbaar aandacht besteed aan de overige aangevoerde feiten en verklaringen. Hierdoor is de motivering van de schatting van het wederrechtelijk voordeel ontoereikend.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en beslissing. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking vanwege deze beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.