Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
Op 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad der Nederlanden uitspraak gedaan in een cassatiezaak met nummer 24/04421. Het beroep in cassatie was ingesteld door de verzoeker, die een wrakingsverzoek had ingediend bij de rechtbank. De advocaat Y. Moszkowicz vertegenwoordigde de verzoeker en heeft cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld aan de hand van artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering, waarin staat dat tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat. Dit betekent dat het cassatieberoep, dat gericht was tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen de afwijzing van het wrakingsverzoek door de rechtbank, niet-ontvankelijk is verklaard. De Hoge Raad heeft uiteindelijk besloten het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, waarmee de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2024 in stand blijft.