ECLI:NL:PHR:2025:1180

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
24/04421
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen beslissing van de wrakingskamer van het hof Amsterdam

In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van een cassatieberoep tegen de beslissing van de wrakingskamer van het hof Amsterdam. De wrakingskamer heeft op 14 november 2024 de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Amsterdam, die een wrakingsverzoek had afgewezen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, concludeert dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op basis van artikel 515 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat. De steller van het cassatiemiddel betoogt dat in dit geval het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken, omdat er sprake zou zijn van grove gebreken in de behandeling van het wrakingsverzoek. De Procureur-Generaal wijst echter op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die stelt dat een rechtsmiddelenverbod niet kan worden doorbroken, zelfs niet in het geval van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gegarandeerd door artikel 6 van het EVRM. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de mogelijkheid om de onpartijdigheid van de rechter in de hoofdprocedure aan te voeren voldoende waarborgen biedt voor een eerlijk proces.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04421
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De wrakingskamer van het hof Amsterdam heeft bij beslissing van 14 november 2024 de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Namens de verzoeker is tegen deze beslissing cassatieberoep ingesteld en Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
In verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep merk ik vast het volgende op. Ingevolge art. 515 lid 5 Sv staat tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel open. Een cassatieberoep dat is ingesteld tegen een beslissing van de wrakingskamer leidt in de regel tot niet-ontvankelijkheid van dat beroep. [1] De steller van het middel voert aan dat in dit geval het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken. Voordat ik nader in ga op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, geef ik eerst het relevante procesverloop weer.

2.Het procesverloop

2.1
De rechtbank Amsterdam heeft op 15 oktober 2024 een wrakingsverzoek ontvangen. De rechtbank Amsterdam heeft vervolgens bij beslissing van 22 oktober 2024 het verzoek tot wraking afgewezen.
2.2
Bij schriftelijke volmacht van 24 oktober 2024 heeft de raadsman van de verdachte de griffier van de rechtbank Amsterdam gemachtigd tot het instellen van appel tegen deze beslissing van de rechtbank. De raadsman heeft daarbij gemotiveerd dat en waarom in dit geval een doorbreking van het appelverbod is aangewezen. Deze schriftelijke volmacht houdt voor zover van belang in (met weglating van een voetnoot):
“Bij wrakingsbeslissingen geldt in beginsel een appelverbod. Echter, dit is anders als o.a. ervan sprake is als de wrakingskamer de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Conform de arresten ECLI:NL:GHARL:2024:3329 en ECLI:NL:GHARL:2017:11103, is het niet of onvoldoende effectief oproepen van de verzoeker in een wrakingszaak voldoende reden tot doorbreking van het appelverbod. Blijkens de beslissing van de wrakingskamer d.d. 22 oktober jl. (
bijlage), heeft ondanks dat in het lichaam van de beslissing staat dat de zaak niet mondeling is behandeld, weldegelijk een zitting plaatsgevonden op voornoemde datum. Zulks blijkt uit het slot van de beslissing waar staat vermeld dat er een openbare zitting heeft plaatsgevonden. Verzoeker noch zijn raadsman zijn opgeroepen voor die zitting laat staan op de hoogte gebracht van datum en tijdstip van die zitting.
Voorts is doorbreking van het appelverbod aangewezen als sprake is van een zodanig essentieel vormverzuim dat een doorbreking van het appelverbod is gerechtvaardigd. De beginselen van een eerlijk proces zijn daarbij richtsnoer, dan wel als bij de behandeling van het wrakingsverzoek niet van een eerlijke en onpartijdige behandeling kan worden gesproken door de schending van een fundamenteel rechtsbeginsel (zie onder meer Hof van Discipline 9 maart 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:39 en Hoge Raad 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263). Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken onder meer indien de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals in geval van veronachtzaming van het beginsel van hoor en wederhoor (zie onder meer HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3633, rov. 3.4; HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943, rov. 5.2 en HR 26 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7626, rov. 4.1).
In de zaak van verzoeker is het standpunt van de gewraakte rechter, mr. [betrokkene 1] in ieder geval inhoudende dat zij niet wenst te berusten in de wraking, niet gedeeld met verzoeker en zijn raadsman maar
wel meegewogen in de beslissing op de wraking. Omdat dit uit de beslissing zelf pas is gebleken én de wrakingskamer (de raadsman van) verzoeker niet had geïnformeerd over het plaatsvinden van de zitting waarop de beslissing is genomen, heeft verzoeker daar ook niet op kunnen reageren. De zaak heeft dan ook niet op tegenspraak plaatsgevonden. Pas na ontvangst van de beslissing is aan (de raadsman van)verzoeker medegedeeld door de griffier van de wrakingskamer dat het standpunt van de gewraakte rechter, voorafgaand aan de zitting –schriftelijk- is gedeeld met de wrakingskamer door haar gemachtigde.
Tot slot is ondanks dat dit was opgenomen in het schriftelijke wrakingsverzoek, geen gehoor gegeven aan het verzoek enkele getuigen te horen over de wrakingsgronden. Voorts heeft te gelden dat de voorzitter van de wrakingskamer kennelijk op voorhand het verzoek van verzoeker als ‘onzinverzoek’ heeft beschouwd,
(…)
En wel zonder de aangekondigde nog na te zenden stukken te hebben ontvangen (of opgevraagd) noch de verzochte getuigen te horen noch de mondelinge onderbouwing van verzoeker te willen horen. Het heeft er alle schijn van dat de wrakingskamer arrest ECLI:NL:HR:2018:1413 misbruikt om wrakingverzoeken zonder beoordeling af te wijzen. Juist gezien deze wekwijze die is ontstaand na het dit arrest van de Hoge Raad is de mogelijkheid van doorbreking van een appelverbod aangewezen. En werkelijke toetsing van de gerezen schijn van vooringenomenheid is immers illusoir geworden.
Ergo de behandeling van het wrakingverzoek is niet door een onpartijdig gerecht als bedoeld in art. 6 EVRM behandeld. Zulks geldt te meer daar blijkens de wrakingsbeslissing slechts één van de 7 wrakingsgronden is beoordeeld. De overige 6 gronden zien niet op de beslissing van de gewraakte rechter maar op haar gedragingen, opdrachten aan derden en uitblijven van communicatie. Het misbruik van arrest ECLI:NL:HR:2018:1413 is daarmee een gegeven. Daar komt bij dat nb wel op de zitting d.d. 22 oktober jl. buiten weten en aanwezigheid van verzoeker en zijn raadsman, ook het standpunt van de gewraakte rechter is meegewogen. Of dit standpunt meer inhoud dan slechts dat zij niet berust is op dit moment voor verzoeker bovendien onduidelijk omdat die schriftelijke reactie wordt onthouden aan verzoeker en diens raadsman (
bijlage). Vriendelijk wordt verzocht een afschrift van de akte instellen rechtsmiddel zo spoedig mogelijk aan ondergetekende te mailen ( [e-mailadres] ). Voor toezending van het afschrift van de oproeping geldt onderstaand adres:”
2.3
De (griffie van de) rechtbank Amsterdam heeft geen appelakte opgemaakt, maar heeft de stukken van het geding wel doorgestuurd naar de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
2.4
De wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft op 14 november 2024 als volgt beslist:

2. De beoordeling;
Artikel 515 lid 5 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat (hierna: het rechtsmiddelenverbod). Het rechtsmiddelenverbod berust op de gedachte dat de mogelijkheid van een tussentijds beroep tegen een afwijzende beslissing op een verzoek tot wraking de hoofdzaak te veel zou ophouden. De verzoeker zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep (vgl. o.m. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:431)

3.De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Als gezegd staat ingevolge art. 515 lid 5 Sv tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel open. Een cassatieberoep dat is ingesteld tegen een beslissing van de wrakingskamer leidt in de regel tot niet-ontvankelijkheid van dat beroep. Eenzelfde rechtsmiddelenverbod is voor het bestuursrecht neergelegd in art. 8:18 lid 5 Algemene wet bestuursrecht en voor het civiele recht in art. 39 lid 5 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
3.2
De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken. In de schriftuur wordt met name een punt gemaakt van de gang van zaken rondom de behandeling van het wrakingsverzoek. Tijdens de wrakingsprocedure zou in strijd gehandeld zijn met essentiële vereisten en zouden “grove gebreken” niet anders dan tot de conclusie kunnen leiden dat de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in de onderhavige zaak toepassing moet vinden. Wat betreft die grove gebreken voert de steller van het middel aan dat de verzoeker niet is opgeroepen voor de openbare zitting waarop de beslissing van de wrakingskamer heeft plaatsgevonden, dat het standpunt van de gewraakte rechter niet aan de verzoeker bekend is gemaakt en dat een groot deel van de wrakingsgronden door de wrakingskamer van de rechtbank geheel buiten beschouwing is gelaten. In het licht hiervan is het oordeel van het hof dat het rechtsmiddelenverbod niet dient te worden doorbroken onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
3.3
De civiele kamer van de Hoge Raad heeft in eerdere jurisprudentie aanvaard dat een rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken als de rechter (a) het desbetreffende wetsartikel ten onrechte heeft toegepast, (b) het desbetreffende wetsartikel ten onrechte niet heeft toegepast, of (c) zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. [2]
3.4
Deze doorbrekingsleer heeft echter nooit navolging gevonden bij de strafkamer van de Hoge Raad. [3] In een aantal zaken heeft de strafkamer expliciet aangegeven dat het openstellen van rechtsmiddelen valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter en aan de wetgever moet worden overgelaten. [4] Ook wanneer een beroep wordt gedaan op een schending van art. 6 EVRM leidt in een zaak waarin geen beroep openstaat niet tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod en de introductie van een buitenwettelijke rechtsgang. [5]
3.5
Inmiddels is de civiele kamer van de Hoge Raad bij arrest van 21 juni 2024 teruggekomen op de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod inzake wraking. Daartoe heeft de civiele kamer onder meer overwogen dat de partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, de mogelijkheid heeft in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter(s) geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in art. 6 EVRM. Daarnaast noopt ook art. 6 EVRM volgens de civiele kamer niet tot het handhaven van een buitenwettelijk rechtsmiddel. De vraag of sprake is van een eerlijk proces moet immers worden beantwoord ten aanzien van de hoofdprocedure als geheel. [6]
3.6
Deze redenering geldt, zo meen ik, ook in strafrechtelijke procedures. [7] In het strafproces staat een afwijzing van een wrakingsverzoek er immers ook niet aan in de weg dat de onpartijdigheid van de rechter die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, in hoger beroep in de hoofdprocedure ten toets kan komen, als door of namens de verdachte een beroep wordt gedaan op schending in eerste aanleg van het, ook in art. 6 lid 1 EVRM aan de verdachte gegarandeerde, recht op behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. [8] In dat verband merk ik nog op dat het hof - in afwijking van de hoofdregel van art. 423 lid 1 Sv - de mogelijkheid heeft om de hoofdzaak terug te wijzen naar de rechtbank indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. In zoverre bestaat er ook in het strafproces geen belang bij een zelfstandig beroep tegen een wrakingsbeslissing. [9] Tot slot bestaat de mogelijkheid dat - indien de verzoeker van mening is dat bij de wrakingskamer zelf sprake is van vooringenomenheid - de wrakingskamer ook gewraakt kan worden.
3.7
In het middel wordt nog aangevoerd dat de in het civiele recht gemaakte afweging tussen het belang van een efficiënte rechtsgang en het belang van een verdachte bij een berechting door een onpartijdige rechter anders moet uitvallen in het strafrecht. De reden daarvoor zou zijn dat de bijzondere aard van het strafrecht en de gevolgen daarvan voor de verdachte meebrengen dat altijd de mogelijkheid moet bestaan om een flagrante schending van een eerlijk proces acuut te beëindigen. In geen ander rechtsgebied zouden de consequenties van een rechterlijke uitspraak zo groot zijn als in het strafrecht, aldus de toelichting op het tweede middel.
3.8
De steller van het middel miskent met dit betoog dat in HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918 niet de efficiëntie van de rechtsgang wordt afgewogen tegen een eerlijk proces, maar “het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen tegenover het belang bij voortgang van de procedure”. Het instrument van wraking is al een afzonderlijk rechtsmiddel naast de reguliere mogelijkheid om de onpartijdigheid van de rechter te laten toetsen door een beroepsinstantie. De rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat er onvoldoende reden is om buiten de wet om nóg een afzonderlijk rechtsmiddel open te stellen in de vorm van een hoger beroep tegen de beslissing op het wrakingsverzoek. De opmerkingen in het middel over de gevolgen van rechterlijke beslissingen in het civiele en het bestuursrecht snijden verder geen hout.
3.9
Het voorgaande brengt mee dat het cassatieberoep tegen de beslissing van de wrakingskamer van het hof Amsterdam niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [10]

4.Afronding

4.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2439.
2.HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, rov. 3.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3633, rov. 3.4 en HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263, rov. 4.1.
3.A.J.A Van Dorst & M.J. Borgers,
4.Vgl. bijvoorbeeld HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526.
5.Vgl. HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1360 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Spronken (ECLI:NL:PHR:2023:679).
6.HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918.
7.Het genoemde arrest HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918 waarin de Hoge Raad terugkomt op de doorbrekingsmogelijkheid voor wrakingsbeslissingen in civiele zaken stelt voorop, dat ook aan het rechtsmiddelenverbod in het strafrecht ten grondslag ligt dat een beroepsmogelijkheid de hoofdzaak te veel zou ophouden.
8.Vgl. HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956 rov. 3.3.. Vgl. ook HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, rov 3.2.2 (waarin de toets van de onpartijdigheid tijdens het beroep in de hoofdzaak zelfs voorop wordt gesteld) en HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726.
9.Ik merk op dat de wetgever in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering vast wil houden aan het rechtsmiddelenverbod inzake wrakingsbeslissingen. Zie
10.Overigens zie ik ook geen belang van de verdachte bij de behandeling van het beroep in cassatie. Het verzoek tot wraking betrof rechter [betrokkene 1] , die een aantal beslissingen zou hebben genomen over de planning van een zitting in de onderliggende strafzaak. In de toelichting op het tweede cassatiemiddel (p. 22) is te lezen dat deze beslissingen feitelijk door een andere rechter waren genomen. De steller van het middel concludeert vervolgens zelf “dat de verkeerde rechter is gewraakt”. Welk belang de verdachte dan heeft bij een hoger beroep tegen de beslissing over het verzoek tot wraking van [betrokkene 1] , ontgaat mij.