Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht is niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier op 2 januari 2026 een bericht in het digitale dossier geplaatst waarin belanghebbende werd uitgenodigd om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Tevens is hiervan een kennisgeving verzonden naar het opgegeven e-mailadres. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 20 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.