Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beslissing van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het beroep in cassatie was ingesteld door de betrokkene, die in deze zaak werd vertegenwoordigd door advocaat G. Spong. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, zoals vermeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De zaak betreft profijtontneming uit passieve ambtelijke omkoping en deelname aan aannemingen of leveranties, waarbij de betrokkene op het tijdstip van de handeling geheel of ten dele bestuur of toezicht was opgedragen. De Hoge Raad heeft ook de duur van de vervangende hechtenis vastgesteld op 540 dagen, en de vraag of het hof bij het bepalen van deze duur kon aanknopen bij Nederlandse LOVS-oriëntatiepunten, gezien de aanmerkelijk ongunstigere detentieomstandigheden in Sint Maarten, is aan de orde gekomen. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen.