Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres van belanghebbende.
Het griffierecht is echter niet voldaan. Vervolgens heeft de griffier op 2 januari 2026 een bericht in het digitale dossier geplaatst waarin belanghebbende in de gelegenheid werd gesteld om te reageren op de niet-betaling. Tevens is hiervan een kennisgeving verzonden naar het opgegeven e-mailadres van belanghebbende. Gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb wordt aangenomen dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen.
Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid om te reageren. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is uitgesproken op 20 maart 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.