ECLI:NL:HR:2026:494
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting bij verkrijging aandelen na juridische splitsing
In deze zaak stond centraal of de vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, letter h, van de Wet BRV ook van toepassing is op de verkrijging van aandelen door een aandeelhouder in een nieuw opgerichte vennootschap na een juridische splitsing.
Belanghebbende was aandeelhouder van een splitsende vennootschap die haar vermogen overdroeg aan twee nieuw opgerichte vennootschappen. De verkrijging van onroerende zaken door een van deze vennootschappen was vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Het geschil betrof de vraag of deze vrijstelling ook geldt voor de verkrijging van aandelen door belanghebbende in die vennootschap.
Het hof oordeelde dat de vrijstelling ook op deze aandelenverkrijging van toepassing is, omdat de wetgever niet expliciet een uitzondering heeft gemaakt en de tekst en strekking van de wet dit toelaten. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de vrijstelling slechts ziet op het vermogen dat overgaat, niet op de aandelen.
De Hoge Raad benadrukte dat de vrijstelling onderdeel is van een fiscale regeling die beoogt juridische splitsingen niet fiscaal te belemmeren, en dat de verkrijging van aandelen inherent is aan een splitsing. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vrijstelling overdrachtsbelasting bij juridische splitsing ook geldt voor de verkrijging van aandelen door de aandeelhouder.