Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Overlijden van de verdachte
3.Beslissing
31 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen een verdachte geboren in 1973, die werkzaam was in de maatschappelijke zorg en werd verdacht van ontucht met een cliënte, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie (OM) was ontvankelijk in de vervolging, maar tijdens de procedure overleed de verdachte op 30 augustus 2025.
Op grond van artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering bij overlijden van de verdachte. De Hoge Raad heeft dit ambtshalve vastgesteld aan de hand van een gewaarmerkt afschrift van de akte van overlijden. Hierdoor is het OM niet langer ontvankelijk in de vervolging.
De Hoge Raad vernietigde de eerdere uitspraken van het gerechtshof Amsterdam en de rechtbank Amsterdam en verklaarde het OM niet-ontvankelijk. Dit arrest werd uitgesproken op 31 maart 2026 door de strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president M.J. Borgers en raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte.