Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een 20-jarige verdachte die werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling door het geven van een kopstoot aan een 14-jarige aangever. Het hof had vastgesteld dat de verdachte de aangever had vastgepakt en een kopstoot in het gezicht had gegeven, waarbij de aangever een harde klap voelde, duizelig werd en een neusbreuk opliep.
De Hoge Raad oordeelt dat deze vaststellingen onvoldoende zijn om te concluderen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door de kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het hof heeft namelijk geen nadere vaststellingen gedaan over de kracht en gerichtheid van de kopstoot, wat essentieel is voor het bepalen van het opzet.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor voorwaardelijk opzet, waarbij sprake moet zijn van bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans op het gevolg. Het enkele feit dat de verdachte kennis had van de kans is niet voldoende; de omstandigheden en aard van de gedraging zijn doorslaggevend.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en beslissing. De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende bewijs voor bewust aanvaarden aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.