ECLI:NL:HR:2026:51

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
24/00846
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over poging tot zware mishandeling door kopstoot door 20-jarige verdachte

In deze zaak gaat het om een cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag, waarbij de verdachte, een 20-jarige man, was veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 10 november 2021, waarbij de verdachte een 14-jarige jongen een kopstoot gaf. De Hoge Raad heeft de relevante overwegingen uit eerdere uitspraken herhaald met betrekking tot voorwaardelijk opzet op het gevolg van zwaar lichamelijk letsel. Het hof had vastgesteld dat de verdachte de aangever had vastgepakt en hem een kopstoot in het gezicht had gegeven, wat leidde tot een neusbreuk. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat deze vaststellingen onvoldoende grond vormden voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij de aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00846
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 maart 2024, nummer 22-001841-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J. Lamers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij op 10 november 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] meermalen in het gezicht heeft geslagen en die [aangever] een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-3, pagina's 4 t/m 6 inclusief bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als verklaring van [aangever] :
Pleegdatum/tijd: 10 november 2021. Ik doe aangifte van mishandeling. Ik zit op school in [plaats] . (...) Ik zag dat er vervolgens twee jongens de trap opliepen en naar ons toekwamen. (...) De andere man kende ik niet. Hij zag er als volgt uit: licht getint, ong. 25 à 30 jaar, ong. 1.80 centimeter lang, kort zwart haar, bril, zwarte pufferjas met capuchon, zwarte broek en zwarte sneakers. (...) Vervolgens kreeg ik van de man een paar platte handen in het gezicht. Ik voelde de harde klappen op mijn wang. (...) Toen pakte diezelfde man mij weer bij mijn jas met zijn beide armen en gaf hij mij een kopstoot in het gezicht. Ik voelde hierdoor een harde klap tegen mijn neus en werd hierdoor erg duizelig.
2. Een geschrift bevattende medische informatie betreffende [aangever] van 17 december 2021, opgemaakt door de [forensisch arts] , inhoudende:
Objectieve bevindingen: op 10 november werd betrokkene op de SEH gezien. (...) Bij beeldvormend onderzoek aanwijzingen voor een neusbreuk met scheefstand naar rechts. Op 15/11 werd de neusbreuk bevestigd en door de KNO-arts rechtgezet. Geschatte genezingsduur: ten minste 6 weken. Kans op blijvende scheefstand neus, mogelijk operatief ingrijpen na 18e levensjaar.
3. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-7, pagina’s 12 t/m 15 inclusief bijlage bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als relaas van de [verbalisant 1] :
Naar aanleiding van het strafbare feit zijn op 10 november 2021 bij de school de beelden gevorderd. (...) Ik zag dat rechtsboven in het beeld een datum en een tijd waren vermeld. Ik zag dat de datum 10 november 2021 was. (...) Dader: man, Noord-Afrikaans uiterlijk, ongeveer 25 jaar oud, kort zwart haar, snorretje en klein sikje, draagt bril met gekleurde glazen, draagt een donkere broek, donker gewatteerde jack en zwarte schoenen. Deze persoon zal dader worden genoemd. (...) Dader en persoon 1 komen naar buiten. Dader heeft met zijn rechterhand een jongen bij zijn nek vast. Signalement van deze jongen: ongeveer 14-15 jaar oud, zwart haar, draagt een zwarte trui met witte opdruk, zwarte broek en een zwart kort jack. Ik zal deze jongen verder als slachtoffer 1 benoemen. (...) Dader slaat meerdere malen slachtoffer 1 met een vlakke hand in het gelaat. (...) Dader pakt slachtoffer 1 met zijn linkerhand vast bij de achterzijde van zijn nek. Het hoofd van dader 1 gaat kort naar achter en gelijk naar voren in de richting van het gezicht van slachtoffer 1. (...) Dader loopt naar slachtoffer 1, spreekt hem aan en geeft hem met zijn linkerhand een klap in zijn gelaat.
4. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-31, pagina 24 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Ik keek de camerabeelden van de mishandeling gepleegd op 10 november 2021 in [plaats] uit. (...) Dit aanvullend proces-verbaal moet specifiek gaan over het gedeelte waar de kopstoot wordt uitgedeeld door de [verdachte] . (...) Slachtoffer 1 is ook wel bekend bij ons als [aangever] . (...) De verdachte pakt slachtoffer 1 met zijn linkerhand vast bij de achterzijde van zijn nek. Het hoofd van de verdachte gaat kort naar achter en gelijk naar voren in de richting van het gezicht van slachtoffer 1. Slachtoffer 1 beweegt zijn hoofd daarna in een snelle beweging naar achter waarna hij naar achter stapt. De verdachte neemt een stap in de richting van slachtoffer 1 waarna hij met zijn linkerhand slachtoffer 1 in het gezicht slaat.
5. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2021351103-20, pagina’s 49 t/m 54 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2021351103, inhoudende als verklaring van [verdachte] :
Ik ben op eigen initiatief met mijn domme kop naar mijn broertje zijn school gegaan. (...) Ik heb toen een klap uitgedeeld aan allebei de jongens. (...) Ik heb jullie gezegd dat ik klappen heb gegeven. (...) Ik sloeg met open handen.”
2.2.3
Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter houdt over de bewezenverklaring in:
“Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de wettige bewijsmiddelen, opleverende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna is vermeld.
Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat de politierechter - evenals de officier van justitie - van oordeel is dat de verdachte door het geven van een kopstoot aan aangever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.”
2.3.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
2.3.2
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
2.3.3
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het –behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)
2.4
Het hof – dat de verdachte heeft veroordeeld voor poging tot zware mishandeling – heeft vastgesteld dat de verdachte de aangever heeft vastgepakt en hem een kopstoot in het gezicht heeft gegeven, waardoor de aangever een harde klap tegen zijn neus voelde, duizelig werd en een neusbreuk opliep. Deze vaststellingen vormen onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever door het geven van een kopstoot zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarbij is van belang dat het hof in verband met die kans geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de omstandigheden waaronder de kopstoot is gegeven, zoals over de kracht en de gerichtheid waarmee deze is toegebracht.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.