Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
31 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een beklag ex artikel 5:5.12 jo. 552a Sv na beslag op geldbedragen onder de veroordeelde in Denemarken, uitgevoerd op grond van een Europees Bevriezingsbevel van Nederlandse autoriteiten. Vervolgens legde de rechter in een ontnemingszaak een onherroepelijke betalingsverplichting van € 30.839,88 op aan de veroordeelde.
De beklagrechter verklaarde de veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift omdat dit niet binnen drie maanden na het einde van de vervolging was ingediend. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelt dat door het onherroepelijk worden van het hofvonnis in de ontnemingszaak het conservatoir beslag is overgegaan in executoriaal beslag. Dit vonnis geldt als executoriale titel, waardoor het verhaal van de vordering via de Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering plaatsvindt. Hierdoor heeft de veroordeelde geen belang meer bij het cassatieberoep tegen de beslagbeschikking, en verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de veroordeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na het onherroepelijk worden van het vonnis in de ontnemingszaak.