ECLI:NL:HR:2026:532
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2025. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 11 december 2025 op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze brief werd echter wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna een adresverificatie plaatsvond en de brief alsnog per gewone post werd verzonden.
Het griffierecht werd niet voldaan. Op 12 januari 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende, waarin deze werd uitgenodigd om te reageren op de niet-betaling. Tevens werd een kennisgeving van deze plaatsing verzonden naar het opgegeven e-mailadres van belanghebbende. De Hoge Raad gaat ervan uit dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb.
Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en op 27 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.