Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2025. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 29 december 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling.
De brief werd volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Vervolgens plaatste de griffier op 27 januari 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de mogelijkheid om te reageren op de niet-betaling. Deze kennisgeving werd ook per e-mail verzonden, waarvan de Hoge Raad aannam dat belanghebbende deze had ontvangen.
Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid om het griffierecht alsnog te voldoen of een reden te geven voor de niet-betaling. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken op 27 maart 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.