In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In februari 2010 hebben [de aannemer] en Innové Vastgoed B.V. (hierna: Vastgoed) een aannemingsovereenkomst met elkaar gesloten met betrekking tot de bouw van een complex met twintig appartementen en commerciële ruimten (hierna: de aannemingsovereenkomst complex).
(ii) De broer van [verweerster] (hierna: de broer) was toen enig bestuurder van Vastgoed en [verweerster] was in dienst van Vastgoed.
(iii) In mei 2010 heeft [verweerster] één van de twintig te bouwen appartementen (hierna: het appartement) van Vastgoed gekocht en heeft zij met [de aannemer] een aannemingsovereenkomst gesloten voor de (af)bouw van het appartement (hierna: de aannemingsovereenkomst appartement). Daarin is bepaald dat de helft van de aanneemsom voor rekening van Vastgoed komt.
(iv) In 2010 heeft Vastgoed het appartement aan [verweerster] geleverd.
(v) Vanaf 5 september 2011 heeft [de aannemer] het retentierecht uitgeoefend, zowel op het appartement als op het complex.
(vi) In oktober 2011 heeft [verweerster] het appartement op grond van een vaststellingsovereenkomst met de broer aan de broer geleverd. De broer heeft het appartement vervolgens aan zijn partner geleverd.
(vii) In december 2011 is Vastgoed failliet verklaard.
(viii) In 2012 heeft [de aannemer] het retentierecht op de commerciële ruimten van het complex opgeheven in ruil voor een borgstelling van de broer jegens [de aannemer] voor hetgeen [de aannemer] van Vastgoed en een aan haar gelieerde vennootschap (hierna: Immo) te vorderen heeft. Het retentierecht op het appartement, dat op dat moment eigendom was van de partner van de broer, is gehandhaafd.
(ix) In 2014 is Immo bij arbitraal vonnis veroordeeld tot betaling aan [de aannemer] van € 95.442,75 uit hoofde van de aannemingsovereenkomst complex.
(x) Bij arbitraal vonnis van 15 april 2015 is [verweerster] veroordeeld tot betaling aan [de aannemer] van € 1.054,75 uit hoofde van de aannemingsovereenkomst appartement.
(xi) Nadat [verweerster] de hiervoor in (vi) genoemde vaststellingsovereenkomst had ontbonden, hebben de broer en zijn partner het appartement in november 2016 aan haar teruggeleverd.
(xii) In 2018 heeft [verweerster] aan [de aannemer] het restantbedrag voldaan dat zij op grond van de aannemingsovereenkomst appartement nog aan [de aannemer] verschuldigd was.